hooien(1)

Mr.dr. A. (Arie) Trouwborst schreef in opdracht van Vogelbescherming Nederland (VBN) een rapport over de internationale verplichtingen van de Nederlandse staat ten aanzien van de bescherming en instandhouding van weidevogels. Hier volgt zijn eigen samenvatting;

“Nederland heeft een bijzondere verantwoordelijkheid ten aanzien van weidevogels als de grutto, kievit en scholekster, met name omdat het (nog steeds) een belangrijk aandeel herbergt van de Europese broedpopulaties van deze soorten. De Nederlandse aantallen van veel soorten weidevogels laten al geruime tijd een zorgwekkende achteruitgang zien. Zo is de grutto met meer dan 60% achteruitgegaan in de afgelopen decennia en die achteruitgang is de laatste jaren alleen maar heviger geworden. De belangrijkste oorzaak van de achteruitgang van de weidevogels in Nederland is het gebrek aan broedsucces in de graslanden die als broedgebied fungeren. Graslanden zijn vanuit weidevogelperspectief zowel in omvang als in kwaliteit sterk achteruitgegaan door de intensivering van de landbouw, die grotendeels op maximale productie is gericht. Om het tij te keren zijn vergaande effectieve maatregelen nodig om de broedgebieden van weidevogels te beschermen.

De centrale onderzoeksvraag van dit rapport is: in hoeverre voldoet Nederland ten aanzien van weidevogels aan zijn internationale en Europese verplichtingen, in het bijzonder onder de EU Vogelrichtlijn? Het onderzoek wijst uit dat Nederland ten aanzien van weidevogels inbreuk heeft gemaakt, en nog steeds maakt, op verschillende internationale en Europese verplichtingen. In vrijwel alle gevallen zijn de geconstateerde schendingen niet incidenteel, maar structureel van aard. Met een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid kan gesteld worden dat Nederland ten aanzien van weidevogels al geruime tijd niet voldoet aan drie cruciale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn, betreffende populatieniveaus (artikel 2), leefgebieden (artikel 3) en generieke soortenbescherming (artikel 5):

 Artikel 2 verplicht Nederland om alle nodige maatregelen te nemen om de populaties van alle soorten weidevogels op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen.

 Artikel 3 verplicht Nederland om alle nodige maatregelen te nemen om voor alle soorten weidevogels een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen.

 Artikel 5 verplicht Nederland tot het verbieden van het opzettelijk doden van weidevogels, het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten en eieren en het opzettelijk storen van vogels, met name gedurende de broedperiode.

Mogelijk wordt daarnaast ten aanzien van weidevogels inbreuk gemaakt op:

 Artikel 4, dat Nederland verplicht tot het treffen van speciale beschermingsmaatregelen, in het bijzonder door aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden voor weidevogels en het nemen van maatregelen buiten deze gebieden om vervuiling en verslechtering van de leefgebieden te voorkomen.

 Artikel 13, dat Nederland verplicht om verslechtering te voorkomen van de populaties van weidevogels en de gevarieerdheid en omvang van hun leefgebied ten opzichte van de situatie in 1979/1981.

Het onderzoek wijst verder uit dat het er alle schijn van heeft dat Nederland ten aanzien van weidevogels ook niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen onder het Verdrag van Bern inzake Natuurbescherming in Europa en het Verdrag inzake Afrikaans-Euraziatische Watervogels (AEWA).

De inbreuk op deze verplichtingen vloeit voort uit het feit dat de Nederlandse overheid de dringend benodigde, vergaande maatregelen voor de instandhouding van de diverse weidevogels en hun leefgebieden tot op heden achterwege heeft gelaten. Het rapport signaleert in dit verband onder meer het niet of nauwelijks aanwijzen van Natura 2000-gebieden voor broedende weidevogels onder de Natuurbeschermingswet; het niet of nauwelijks inzetten van andere instrumenten voor gebiedenbescherming, zoals de ‘beschermde leefomgeving’ onder de Flora- en faunawet; het niet daadwerkelijk voorkomen dat (jonge) weidevogels gedood en nesten en eieren vernield of beschadigd worden door agrarische activiteiten; de afwezigheid van soortenbeschermingsplannen voor weidevogels; de zeer gebrekkige toepassing van de leefgebiedenbenadering; de geringe dekking van weidevogelgebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland; het verhoudingsgewijs geringe gewicht dat vaak aan het weidevogelbelang wordt toegekend in besluitvorming in het kader van de ruimtelijke ordening; en de ineffectiviteit van maatregelen ter bevordering van agrarisch natuurbeheer. In verband met deze laatste categorie wordt in herinnering geroepen dat ook bij het nieuwste maatregelenpakket voor agrarisch natuurbeheer van meet af aan grote twijfel bestaat aan de effectiviteit ervan.”

Foto header; bron: http://www.verantwoordeveehouderij.nl

Geplaatst op 30 september 2016