1212_earth_worms_birds

Mocht u het komende voorjaar in de Krimpenerwaard iemand plat op de buik op een karretje in het weiland zien liggen, maakt u zich dan niet direct zorgen. De kans is groot dat hij of zij van dichtbij wormen in actie wil zien! Iedereen heeft wel eens een worm gezien, maar weinig mensen zullen zoveel wormen hebben gezien als Jeroen Onrust. Hij gaf op 17 januari in De Zwaan een presentatie over zijn jarenlange onderzoek naar wormen, met name in relatie tot de voedselbeschikbaarheid voor weidevogels. Eén ding is zeker: na het eerste door de NVWK georganiseerde - en geslaagde!! - Weidevogelcafé voor weidewachters en agrariërs, zullen de deelnemers heel anders kijken naar - en denken over - wormen!

In de Nederlandse graslanden kun je vijf soorten regenwormen tegenkomen, die grofweg onder te verdelen zijn in ‘rode wormen’ (25%) en ‘grijze wormen’ (75%). De rode wormen bevinden zich in de bovenste laag van de zode en leven van grof organisch voedsel. Ze komen ‘s nachts aan de oppervlakte en trekken bijvoorbeeld strootjes uit ruige mest met hun zuigmondje in hun holletje. Die worden dan verteerd door schimmels en bacteriën. De wormen eten zowel deze micro-organismen als de verteerde plantenresten. Dit gebeurt ‘s nachts omdat regenwormen niet van zonlicht houden en een vochtig klimaat nodig hebben om te voorkomen dat ze uitdrogen. Wormen ademen door hun huid en in droge omstandigheden trekken wormen dieper de grond in, waarbij ze zich ‘in de knoop’ leggen om de hoeveelheid huidoppervlak te verkleinen. Wordt het weer dag, dan trekken de wormen zich terug, ook al waren ze nog niet klaar met hun laatste strootje. Je kunt dit soms zien aan strootjes die rechtop uit de grond steken. Grijze wormen leven wat dieper in de grond en leven van fijner verteerd organisch materiaal.

Net zoals wormen kunnen we ook weidevogels grofweg indelen in twee groepen: zichtjagers zoals de kievit en tastjagers zoals de grutto. Zichtjagers hebben grote ogen en eten vooral voedsel dat direct zichtbaar is op de bodem. Voor deze groep vogels is de beschikbaarheid van rode wormen dus van groot belang. Dit is ook de reden dat je een kievit overdag vaak met de kop in de veren ziet staan: ‘s nachts komen de wormen aan het oppervlak en dan is de kievit dus het meest actief. Tastjagers hebben langere snavels en halen met het gevoelige uiteinde het voedsel al tastend uit de bodem, zij zijn daarom minder afhankelijk van de rode wormen en kunnen ook overdag prima foerageren.

Het aanbod van regenwormen speelt een belangrijke rol bij de aankomst van vogels uit hun overwinteringsgebieden. De vogels moeten dan opvetten en aansterken om op tijd in conditie te zijn voor het broedseizoen. Uit het onderzoek van Jeroen blijkt dat met name de rode wormen gevoelig zijn voor de intensivering in de landbouw. Op percelen waar drijfmest wordt uitgereden, zijn veel minder rode wormen beschikbaar dan op percelen met ruige mest. Ook het tijdstip van de mestgift is van belang: bij een latere mestgift (bijv. half maart) blijven de wormen ‘hongerig’ en daardoor meer aan de oppervlakte. Voor grijze wormen maakt dit allemaal weinig verschil. Rode wormen zijn voedzamer dan grijze wormen, dus een weidevogel is meer gebaat bij rode wormen.

Rode wormen houden door hun graafwerk de structuur van de grond luchtig. Hier kan de boer zijn voordeel mee doen door de wormen lang hongerig te houden waardoor ze elke nacht blijven graven. Op een bodem met een goede structuur groeit vegetatie beter en is de opbrengst dus groter. Wormen doen het werk! Door het uitrijden van drijfmest slaat de grond dicht en in combinatie met veelvuldige bewerking van de toplaag zorgt dit ervoor dat de capillaire werking (opstijging van het grondwater) verstoord raakt. Dit heeft tot gevolg dat de bovenste laag van de aarde uitdroogt en als het ware los laat van de grond eronder, het maakt dan ook niet veel meer uit hoe hoog de grondwaterstand is. In combinatie met het gebrek aan grof organisch materiaal zal dit ertoe leiden dat de rode wormen uit de grond verdwijnen, terwijl de grijze wormen zich dieper in de grond verstoppen. Bovendien wordt de indringingsweerstand groter, dus ook voor de tastjagers wordt het nu moeilijker om hun snavel in de grond te steken en voldoende voedsel te vinden!

Kort samengevat is voor weidevogels in Nederland niet de hoeveelheid regenwormen een probleem, maar wel de beschikbaarheid ervan. De Krimpenerwaard heeft wel een andere bodemsamenstelling dan de studiegebieden van Jeroen (veen vs. klei-op-veen), waardoor de zuurgraad en het voorkomen van bacteriën en schimmels anders zal zijn. De resultaten uit zijn onderzoek zijn daarom misschien niet een op een te vertalen naar onze weilanden, maar desondanks geeft het onderzoek interessante aanknopingspunten om te proberen het aanbod aan regenwormen te vergroten. Bijvoorbeeld door het aanpassen van de mestgift, zowel qua tijdstip als qua hoeveelheid als qua samenstelling. In de praktijk zal het niet haalbaar zijn om dit overal zo uit te voeren, maar met wat extra aandacht voor de goede weidevogelpercelen is daar zeker wat te winnen. Het is zeer de moeite waard om (de Nederlandse samenvatting van) het proefschrift van Jeroen Onrust eens te lezen (titel: Earth, Worms and Birds, naast dit nieuwsbericht)!

Tekst: Bernard de Jong, foto header: www.rug.nl

Geplaatst op 1 maart 2019