Oplaadwagen

Het woord werd gemunt door een bioloog, en het klinkt als een ziekte: landschapspijn, ofwel de achteruitgang van biodiversiteit op agrarisch land. Als een van de 'symptomen' van landschapspijn wordt genoemd: de afwezigheid van weidevogels.

Dat er inderdaad steeds minder boerenlandvogels zijn, blijkt uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek vandaag publiceert. Sinds 1960 is het aantal boerenlandvogels met 60 tot 70 procent teruggelopen. Het aantal patrijzen, zomertortels, ringmussen is gedecimeerd en van de grutto's is twee derde verdwenen. Sommige vogelsoorten komen in grote delen van Nederland bijna niet meer voor.

Gans

Wel volop aanwezig in agrarisch gebied is de gans: de kolgans, de brandgans, de grauwe gans, de Canadese gans en de Nijlgans. Zij gebruiken het boerenland niet om te broeden maar om zich te voeden. Er zijn volgens het CBS nu tien keer zoveel ganzen als in 1975.Het CBS verklaart de afname van het aantal boerenlandvogels uit veranderingen in het landschap. Er is minder landbouwgrond dan voorheen, doordat er huizen zijn gebouw en bedrijventerreinen en wegen aangelegd. De resterende landbouwgrond heeft ook een ander karakter en ander uiterlijk. Er worden bijvoorbeeld andere gewassen verbouwd, waardoor het voedselaanbod voor vogels is veranderd. Er zijn sloten gedempt, oneffenheden geëgaliseerd en heggen en boomsingels verwijderd. Hiermee verdwenen broedplekken van boerenlandvogels.

Overlevingskans

Op de huidige grasakkers, met weinig voedsel en weinig dekking tegen belagers, hebben weidevogels geen goede overlevingskans. Roofdieren kunnen kuikens makkelijk vinden op intensief bemaaide weilanden, stelt het CBS. De achteruitgang van het aantal boerenlandvogels kan volgens het statistiekbureau 'niet los worden gezien van de intensivering in de landbouw'.

Lees ook het interview met Jantien de Boer, over het boek dat ze schreef over haar landschapspijn.

Bron; Trouw, Emiel Hakkenes– 27 maart 2017, foto door Bernard de Jong

Geplaatst op 11 april 2017