|

Op de voorpagina: het haas Mathilde Marijnissen Zoogdieren in de Krimpenerwaard is het thema waar de reactie in 2010 op de voorkanten en in artikelen in de Waarvogel aandacht aan wil besteden. We zijn ons ervan bewust dat we niet alle voorkomende zoogdieren kunnen benoemen en behandelen. We maken een keuze; welke? Dat zult u gedurende het jaar te weten komen! Als 1e zoemen we in op hazen. Ze komen in grote getale voor in de Krimpenerwaard. Onderstaand interessante informatie over dit prachtige dier. Een haas lijkt van ver op een konijn, maar hij is groter, heeft grotere oren en langere achterpoten. Ook beweegt een haas zich anders, meer met sprongen voort. De Europese haas heeft een grijzig gele- tot roestbruine vacht, en kan zich met deze kleurenschakering prima camoufleren in het veld. Zijn onderzijde is grijzig wit van kleur. De bovenzijde van de korte staart ("pluim") is zwart van kleur, de onderzijde wit. De lange oren ("lepels") zijn grijs met een zwarte punt. Hazen ruien twee keer per jaar, in de lente en in de herfst. De zomervacht is lichter van kleur dan de meer rossige wintervacht. De vacht is dicht en zacht en bestaat uit drie haartypen: een ondervacht met haren van 15 mm, donsharen van 24 tot 27 mm en dekharen van 32 tot 35 mm. De ogen zijn groot en goudbruin en worden omringd door lichtere vacht.
Zintuigen Hazen hebben grote oren (scherp gehoor), die onafhankelijk van elkaar bewegen, 190° naar buiten draaien en zo van iedere richting geluid opvangen. De reukzin is zeer goed ontwikkeld, dit om vijanden en bronstige vrouwtjes waar te kunnen nemen. Door voortdurend te snuffelen vangen hazen constant geuren op. De zijwaarts geplaatste ogen geven een blikveld van 360°, dus rondom, een haas hoeft zijn hoofd niet te bewegen om zijn omgeving te kunnen zien. Langs de neus bevinden zich snorharen van zo'n tien centimeter lang. Afmetingen De “Hollandse” haas heeft een kop-romplengte van 48 tot 73 cm. De staart is ongeveer 7 tot 13 cm lang, de oren 7,9 tot 14 cm en de achtervoetlengte bedraagt 11,5 tot 17 cm.
Sporen (pootafdrukken) haas: a = spoor bij het grazen; b = normaal loopspoor; c = spoor in vlucht. Een herkenbaar spoor is het "leger", het nest van een haas. Dit is een ondiep kuiltje in het open veld of onder begroeiing. Tijdens de rui, in de lente en de herfst, bevindt zich haar in het leger. Een ander herkenbaar spoor zijn de vaste looppaden (wissels). Je kunt ze vaak ontdekken in de Krimpenerwaardse weilanden.
Gedrag Hazen zijn voornamelijk nachtactief. Zomers is hij ook vroeg in de ochtend en in de avond actief. Overdag ligt hij meestal platgedrukt tegen de grond in of bij zijn leger. Het leger bevindt zich meestal op een zonnige, doch beschutte plaats en is zelfgegraven. Als een haas in een leger ligt, zijn meestal alleen zijn kop (oren) en soms rug zichtbaar. De achterzijde ligt in het diepste deel van het leger. Hier houdt hij een (haze)slaap, die zo licht is dat hij door ieder geluid of trilling van de bodem wordt gewekt. Een slaapperiode is zeer kort, zelden meer dan een paar minuten. Hazen bewegen zich voort met een huppelende beweging, waarbij de achterpoten voor de voorpoten worden gezet. Hij maakt hierbij sprongen van maximaal 1,2 meter. Het is een goede zwemmer en deinst er niet voor terug een rivier over te steken. Hij kan ook ver springen en kan met gemak óver een sloot heen. Voedsel Hazen hebben een voorkeur voor wilde kruiden en leeft voornamelijk van grassen en kruiden als klaver, kruisbloemigen en paardenbloemen, aangevuld met knoppen, zaden, twijgen, wortels en landbouwgewassen als bieten, koolplanten, wortelen, mais en granen. Daarnaast eet hij ook schors, paddenstoelen en vruchten als appels en bessen. Ook eet een haas zijn eigen uitwerpselen (coprofagie) om proteïnen en vitaminen binnen te krijgen. Hij zou ook soms aas eten, in voedselarme seizoenen en zeer strenge winters. Sociaal gedrag en leefgebied Een haas heeft een leefgebied van ongeveer 300 hectare, gelegen rond zijn voornaamste leger. Binnen dit gebied liggen ook andere legers en diverse latrines, vaste foerageerplaatsen, plaatsen om te zonnen en vaste paden, die hij markeert met een uitscheiding uit de wang- en anaalklieren. Hij is zeer honkvast en raakt buiten zijn vertrouwde leefgebied in stress. Een haas leeft voornamelijk solitair. In het leefgebied wonen vaak ook andere hazen, die elk hun eigen plek hebben binnen het gebied waar ze de meeste tijd doorbrengen. De grenzen worden afgebakend met geurvlaggen, die hij aanbrengt door met zijn kin langs lage takken te wrijven. Hazen zijn niet territoriaal en dulden soortgenoten naast zich. Ze vertrouwen echter geen vreemde hazen, en nachtelijke ontmoetingen dienen om dieren met elkaar bekend te maken. Soms leven hazen in tijdelijke groepjes naast elkaar tijdens het foerageren, voornamelijk in de avond. Dit groepsgedrag heeft tot voordeel dat iedere haas meer energie aan eten en minder energie aan mogelijk gevaar hoeft te besteden. Binnen deze groepjes heerst een hiërarchie, waarbij de seksen niet gescheiden zijn. In de paartijd leven de hazen in grotere groepen. Hazen blijven meestal hun hele leven in het gebied waar ze geboren zijn. Het gebied wordt alleen tijdelijk verlaten als in het woongebied geen vrouwtje of voedsel te vinden is, en permanent als ze voortdurend verstoord worden. 
Foto: Pepijn Hof Voortplanting De paartijd ("rammeltijd") begint in januari en kent een piek tussen februari en april. Meestal eindigt de rammeltijd in juli of september, maar tot in de winter komen paringen voor. De rammen komen in de rammeltijd op de moerhazen af en verzamelen zich in kleine groepjes. Ze ruiken onder de staart van de moer de geurstoffen uit haar klieren op om te bepalen of ze bronstig, ontvankelijk is. Een moerhaas heeft gedurende de rammeltijd een cyclus van zes weken, waarin ze slechts op één dag enkele uren ontvankelijk is. Mannetjes zijn in de rammeltijd zeer agressief. Ze vechten om het recht om te paren. Hierbij gaat het er soms hard aan toe. Staand op hun achterpoten delen ze flinke klappen en schoppen uit, hierbij zowel gebruik makend van voor- als achterpoten, waardoor het wat weg heeft van een kickboksgevecht. Met de nagels trekken ze hele plukken haar uit de vacht. Ze houden vaak beschadigde oren en staarten en bijt- en krabwonden over aan de gevechten. Ook vinden er tijdens de gevechten achtervolgingen plaats, wordt er gegromd en maken de hazen hoge luchtsprongen. Deze gevechten kunnen een dodelijke afloop hebben: als een mannetje er in slaagt over zijn concurrent heen te springen en hem daarbij met beide achterpoten tegelijk ter hoogte van de nek raakt, kan dit de concurrent doden (het “haasje over…”). Tijdens een gevecht ligt de moerhaas de gehele tijd stil op de grond. Ze zal (na een gevecht) plotseling wegrennen , waarna ze zal worden achtervolgd door de rammen. Tijdens de achtervolging zal ze de meeste rammen van zich afschudden, tot er nog één overblijft. Pas wanneer de overgebleven ram (waarschijnlijk die met de beste conditie) zijn vasthoudendheid heeft bewezen zal zij stoppen met rennen. Hierna zal de copulatie dan volgen. Jongen Een haas “werpt” één tot drie, maximaal vier maal per jaar. Na een draagtijd van 41 tot 44 dagen worden twee tot vijf jongen geboren in een vers leger, droog en tegen de wind beschut tussen hoog gras of onder het struikgewas. Per jaar werpt een geslachtsrijpe moerhaas gemiddeld tien à elf jongen. De jongen zijn nestvlieders en kunnen zich al direct tot enkele uren na de worp zelfstandig voortbewegen. Ze worden met geopende ogen en grijsbruine, wollige vacht geboren. Ze hebben korte oren en een ronde snuit. Pasgeboren haasjes zijn geurloos zodat roofdieren als vossen ze niet kunnen ontdekken. De eerste twee à drie dagen blijven de jongen bij elkaar, maar hierna zoekt ieder jong zijn eigen ondiepe legertje waar hij zich de gehele dag in verbergt. Het moederdier zorgt voor de jongen maar laat ze het grootste deel van de dag alleen. Hierdoor geeft ze haar geur niet over aan de jongen. Als het vrouwtje de jongen wil verzamelen geeft ze een laag, op een hoorn gelijkend geluid. Meestal gebeurt dit drie kwartier tot een uur na zonsondergang. De jongen verzamelen zich dan, meestal op de plek waar ze geboren zijn, en worden vijf minuten lang gezoogd. Als alle jongen gezoogd zijn laat het vrouwtje ze weer alleen en zoeken de jongen hun legertje weer op. Een week na de geboorte eten de jongen hun eerste vaste voedsel, meestal gras of jonge planten, na vier à vijf weken zijn de jongen overgeschakeld op vast voedsel en zijn de jonge hazen zelfstandig. Mannetjes zijn geslachtsrijp na zes tot twaalf maanden, vrouwtjes na zes tot acht maanden. Levensverwachting en verdediging Hazen worden meestal vier tot zeven jaar in het wild. Veel dieren sterven in het eerste jaar (het overlevings-percentage is in het eerste jaar slechts 15%), veel jongen overleven de eerste winter niet. Jonge hazen zijn zeer gevoelig voor nat weer. In Nederland is de gemiddelde levensverwachting iets meer dan een jaar. Veel roofdieren, o.a. vos, marterachtigen, uilen en roofvogels jagen op (jonge) hazen. Overdag vertrouwt een haas op zijn schutkleur. Platgedrukt tegen de grond, met de oren op zijn rug lijkt hij op een kluit aarde en is makkelijk over het hoofd te zien. Het leger is vaak zo aangelegd dat hij met zijn neus tegen de wind in ligt. Pas als de rover te dichtbij komt, zal hij plotseling hard wegrennen, waardoor het roofdier even schrikt. Hierna vlucht hij zigzaggend weg, met "slagen" of "haken", hoeken van 90° in zijn loop. De staart wordt omlaag gehouden, waardoor de witte onderkant verborgen blijft. Hij kan tijdens de vlucht sprongen maken van 3,7 meter lang of 1,5 meter hoog en snelheden tot 75 kilometer per uur halen. Om achtervolgers te misleiden zal hij regelmatig na een slag over zijn eigen sporen terugrennen of in het water springen om zijn sporen te verdoezelen. Meestal weet hij op deze manier een roofdier af te schudden. Een haas in het nauw kan een hevig gevecht leveren met zijn vijanden. Hoewel de haas overwegend zwijgend door het leven gaat kan het dier bij angst of verwonding erbarmelijk gillen. Als waarschuwing maakt hij een knarsend geluid met zijn tanden. 
Foto: Pepijn Hof Bedreiging Vanaf 1970 daalt het aantal hazen in Nederland. Een belangrijke bedreiging vormt de moderne landbouw, die is intensiever. Ook monocultuur, minder variatie in grassen en verdwijnen wilde planten zorgen hiervoor. Het haas wordt gedwongen zich te voeden met stikstofrijk weilandgrassen en akkergewassen, terwijl hij ingesteld is op gevarieerd, stikstofarm voedsel. Omdat 's winters alles wordt geoogst en geploegd is er niets meer te eten over. Hazen sterven ook door pesticiden en herbiciden (zoals Paraquat) en ongelukken met landbouwmachines en door het wegverkeer. Ook reden voor de achteruitgang is EBHS (European Brown Hare Syndrome) als ziekte. Jacht Het haas wordt veelvuldig bejaagd door de mens voor eigen consumptie (het haas komt uit het jagersjargon) en ter bestrijding van schade aan gewassen. Prehistorische mensen jaagden al op hazen, getuige vondsten van botten tussen 7000 en 4000 v.Chr. De hazenjacht is geopend van 15 oktober t/m 31 december. Krimpenerwaard Kijk bij een volgende (fiets) tocht door de polder eens of u het haas kunt ontdekken en blijf even staan kijken naar zijn gedrag. Misschien hebt u geluk en ziet u het huppelen, het boksen of vluchtgedrag. Of misschien die reuzensprong OVER een sloot. Prachtig! Ik zelf heb ooit gezien dat een kiekendief toch een nest jonge hazen ontdekt had en jongen hieruit wilde roven. De moeder rende op de kiek af, maakte een reuze sprong naar hem (raakte hem) en verdedigde het nest staande op haar achterpoten al boksend tegen de aanvallen van de roofvogel. Ze heeft toch niet alle jongen kunnen redden!
Ringslangen in de KrimpenerwaardRichard Slagboom Sinds 2008 wordt de populatie ringslangen in het noordoosten van de Krimpenerwaard gemonitoord voor het meetnet reptielen van RAVON. (Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland) Op een vast traject wordt 7 maal per jaar gezocht naar deze beschermde diersoort. Het 2e jaar monitoren van ringslangen in de omgeving van Gouderak startte op 5 april 2009 met het ongelofelijke aantal van 19 stuks. Letterlijk overal doken de ringslangen op. Tot twee maal toe waren er zelf parende slangen te zien. Door het mooie voorjaarszonnetje hadden de mannetjes het in hun bol, vol hormonen op “jacht” naar een mooie dame letten ze werkelijk nergens meer op en kropen al tongelend naar mijn voeten toe. Een leuke ervaring! 
Een dikke week later (tweede ronde) wist Erik Kleyheeg nog 5 slangen te spotten, waaronder wederom een koppeltje parende slangen, maar daarna namen de aantallen snel af. Gedurende het seizoen nam de begroeiing langs het traject sterk toe en werd het steeds lastiger ringslangen te vinden. Door uiteenlopende omstandigheden werden de monitoringsronden niet altijd onder de beste weersomstandigheden gelopen, maar mede door het hoge aantal tijdens de eerste ronde werden er dit jaar 34 slangen gezien en dat in de Krimperwaard. In oktober organiseerde RAVON (Richard Struijk) in samenwerking met het Zuid-Hollands Landschap een excursie. Tijdens deze excursie werden de broedhopen, waarin ringslangen hun eieren afzetten, omgespit om te kijken of deze zijn gebruikt.In de buurt van plas Middelblok vonden we flink wat lege eieren en zelfs een juveniele ringslang! Er heeft dus ook dit jaar weer voortplanting plaatsgevonden in de Krimpenerwaard. In totaal werden er in twee broedhopen eieren gevonden, waarvan de meeste waren uitgekomen. Helaas waren sommige broedhopen niet gebruikt, waarschijnlijk door het ontbreken van broei. De eieren hebben namelijk warmte nodig om uit te komen. Wellicht kan volgend jaar een (aantal) nieuwe broedhoop worden aangelegd. 
De ringslangen zijn nu in winterslaap en worden zo eind maart weer wakker. Mocht u er eentje tegenkomen dan kunt u dat altijd melden, bijvoorbeeld via waarnemingen op de site van de NVWK.
Betrapt en gesnapt Rob van Straaten December en januari: Een periode met soms strenge vorst en een dikke laag sneeuw. Een erg moeilijke periode voor de vogels. De harde bevroren onderlaag belemmerde de vogels om goed voedsel te kunnen vinden. Een groot aantal vogels zakte daarom verder dan normaal naar het zuiden af. Ondanks de kou werd er nog regelmatig gevogeld in de waard. Via de website kwamen er toch zo’n 2500 waarnemingen binnen, met een aantal leuke waarnemingen. Mede door de strenge vorst bleken veel grote zilverreigers hun heil verder in het zuiden te zoeken. Bij de laatste slaapplaats telling werden niet meer dan circa 35 exemplaren geteld, in vorige jaren waren dit er zo’n 170 stuks. De koereiger van polder de Nesse liet zich nog tot 12 december zien daarna is hij met de noorderzon vertrokken. Op 23 januari werd in de schemer mogelijk een juveniele kwak gezien maar wegens te weinig licht kon de soort niet worden bevestigd. Bij strenge vorst komen er altijd meer waarnemingen binnen van de roerdomp, deze periode werden er niet minder dan 9 stuks gezien. Over polder Berkenwoude vlogen op 6 december nog 2 late kraanvogels. Leuk was de waarneming van een groepje dwergganzen dat de Krimpenerwaard rondtrok. Het groepje van 8 vogels werd ontdekt op 12 januari in polder Krimpen a/d Lek en een dag later in polder Kattendijksblok te Gouderak. Dit was ongeveer de 5e waarneming binnen de Krimpenerwaard. Er werden weer enkele kleine rietganzen ontdekt tussen de kolganzen in een aantal polders in de waard. Een eenzame rotgans verbleef een dag in polder Schuwagt te Krimpen a/d Lek, dat was op 7 januari. Doordat de sloten dicht lagen met ijs werd er op de Lek en IJssel weer eens een leuke hoeveelheid nonnetjes, brilduikers en grote zaagbekken gezien. Normaal verblijven deze vogels wat meer in de bredere poldervaarten. Ook verbleven er grote groepen met kuifeenden en smienten op de IJssel met daar tussen een enkele tafeleend.
Van de familie zwanen werd een pleisterend exemplaar wilde zwaan gezien, de vogel verbleef op de Lek nabij de telpost. Er werden nog twee andere waarnemingen gedaan van deze soort, beide keren overvliegend. Zijn broertje de kleine zwaan werd veelvuldig gezien, waarbij ook dit jaar weer niet veel juveniele werden gezien. Dus ook dit jaar weer een slecht broedseizoen voor deze soort. Hier kunnen we ons terecht zorgen over maken.
Dit jaar ook weer niet veel waarnemingen van roestende ransuilen, bij de spaarzame meldingen ging het telkens om maar 1 exemplaar. Een bosuil werd roestend gevonden in een holte van een boom in het Bisdom van Vlietpark te Haastrecht. Andere exemplaren werden gehoord in diverse andere polders binnen de waard.
Er waren maar 3 meldingen van een steenuil, een vrouwtje verbleef op 13 december in Bovenberg te Schoonhoven, een ander exemplaar verbleef op 29 december in polder Krimpen a/d Lek en op dezelfde dag werd ook nog een steenuil gezien in polder Schuwagt ook in Krimpen a/d Lek. Totaal werden er 12 blauwe kiekendieven waargenomen, waarvan het merendeel vrouwtjes. Er werden nog 2 late bruine kiekendieven gezien, dit zullen overwinterende exemplaren betreffen. De slechtvalken waren te vinden in de bekende polders Middelblok, Veerstalblok en Kattendijksblok, hoog op hun uitkijkposten speurend naar verzwakte smienten en andere eenden soorten. Langs de IJssel werden nog enkele geelpootmeeuwen gezien en 2 pontische meeuwen. In het Loetbos werden veel houtsnippen gezien. Wie tegen de schemer aan de rand van het bos ging staan zag bijna altijd wel een exemplaar langs vliegen. Ook kwamen er wat waarnemingen uit de bebouwde kom. Een grote tuin met wat lage bosjes geeft al kans om deze mooie steltloper te ontmoeten. Er waren een drietal waarnemingen van de vuurgoudhaan, alle in het EZH-bos te Krimpen a/d IJssel. Op deze plek zijn ‘s winters ook altijd wel wat goudvinken te vinden. Dit jaar werden er maar 2 stuks geteld, een laag aantal voor de Krimpenerwaard. Erg leuk is de waarneming van maximaal 3 sneeuwgorzen in een grote groep veldleeuweriken, op 23 januari werden ze ontdekt in polder de Nesse en het laatst werden ze gezien op 27 januari. Een overvliegend exemplaar werd al eerder gezien en wel op 17 december te Lage weg.
Ik wil iedereen bedanken voor het mailen, doorbellen en schrijven van zijn of haar waarnemingen. Heb je leuke en verrassende vogels gezien, geef ze aan mij door met datum en plaats of voer ze in via de website www.nvwk.nl of www.waarneming.nl. Rob van Straaten, Westerom 6, 2802 EX, Gouda,
Dit e-mail adres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
.
Het ChristusvogeltjeTekst en foto’s: Peter de Mooij In de volksverhalen verkreeg het roodborstje zijn kleur en naam op de volgende wijze: Hij zag Jezus aan het kruis hangen en de doornenkroon die venijnig op zijn hoofd was gedrukt. Een der doorns stak vlak boven het oog van Jezus en het dappere vogeltje wrikte deze eruit. Daarbij kwam er een druppel bloed op zijn borst terecht en sprak Jezus:” Door deze bloeddruppel, zal iedereen weten dat jij mijn lijden hebt verzacht. Van dat ogenblik af kreeg het roodborstje zijn roodbruine borstje en werd door iedereen zo genoemd. Nou ja, of het echt zo geweest is of slechts een volksverhaal, dat weet het roodborstje alleen, maar van hem zijn geen openbarende woorden te verwachten. Dat het roodborstje ten diepste helemaal niet zo’n lief klein vogeltje is, maar een driftig baasje dat zijn territorium heel fel tegen eventuele indringers verdedigt, is misschien minder bekend. Er zijn wel eens roodborstjes in het wild gevangen (wat natuurlijk niet mag en geen navolging verdient) en in een volière geplaatst met andere soorten. Dit draaide vaak op een waar bloedbad uit, waarbij menige kanarie of andere tropische vogel niet opgewassen bleek tegen de territoriumdrift en pure agressie van het roodborstje. Zelfs een rood lapje wat hem voorgehouden wordt, werkt als de bekende rode lap op de stier. Fel pikkende in het rode lapje zal hij zijn “opponent” te lijf gaan, ook al betreft het in dit geval slechts een lapje rode stof.

Klein als hij is blijkt zijn territorium al snel 6000 tot 8000 vierkante meter groot. De exemplaren welke wij in de winter dikwijls in onze tuinen aantreffen komen uit de noordelijker gelegen gebieden. Onze (noem het) Nederlandse roodborstjes trekken in dezelfde periode naar Spanje om daar te overwinteren. Zowel de man als het vrouwtje (popje) kunnen zingen. Hun gezang heeft wel iets weg van de schrille tonen die een winterkoninkje voortbrengt. Elk roodborstje kent wel honderd verschillende melodieën, die hij ten gehore kan brengen. In het voorjaar verzamelen de oudervogels plukjes haar, bladeren, stukjes gras en bouwen er op een verborgen plekje een nestje van. Heel soms willen ze wel eens een door mensen opgehangen nestkastje gebruiken, mits het goed beschut en op een verborgen plekje hangt. Vaak broeden ze ook tussen het kreupelhout, tussen heggen en hagen of ergens in het struikgewas. Zodra het wijfje de eieren heeft gelegd en gaat broeden is het zo goed gecamoufleerd dat het nestje nauwelijks te vinden is. Haar bruine rugje gaat geheel op in de natuurlijke achtergrond. Het mannetje rest de taak om haar van voedsel te voorzien waar hij dan ook erg druk mee is. Verschillende keren per uur komt hij haar voederen met wormen, slakken, spinnen en andere insecten. Maar ook stukjes brood, aardappel, stukjes vlees vet, bessen en fruit staan op het menu. Als de jongen worden geboren bezitten zij nog niet de kenmerkende rode vlek. Deze komt pas later als de vogels volwassen worden. Over het roodborstje zijn tal van legenden en verhaaltjes geschreven. Een ervan komt uit Friesland waar een boer zijn klompen zoals boeren altijd doen, netjes voor de deur uittrok en naar binnenging om te eten. Een roodborstje zag wel wat in dit warme beschutte plekje en kroop er in. Op een avond begon het te sneeuwen en de boer haalde zijn klompen naar binnen en ontdekte het roodborstje erin. Hij gaf hem wat te eten en de volgende morgen werd het roodborstje weer vrij gelaten door de staldeur te openen. Maar wie dacht dat het daarbij bleef, heeft het lelijk mis. Zes weken lang heeft het roodborstje zodra de boer zijn klompen uittrok en naar binnenging, zijn onderkomen gezocht in de klompen, waar het regelmatig iets te eten kreeg van de boer. Toen de lente aanbrak verdween het pas. Ieder kind kent natuurlijk het liedje: Roodborstje tikt tegen het raam tik tik tik Laat mij erin, laat mij erin 't is buiten koud en te guur naar mijn zin Laat mij erin, mij erin Meisje deed open en gaf uit haar schoot korreltjes suiker en kruimeltjes brood dat was het roodborstje wel naar de zin Hij vloog het bos toen weer in. 
Voor mij als natuurfotograaf is het iedere winter weer een van de allermooiste vogeltjes om op de foto te zetten. Mak als hij is kan je hem/haar gemakkelijk tot op vijf meter benaderen waar hij brutaal naar je blijft kijken en soms zelfs verontwaardigt als je niets te eten bij je hebt, zijn bevederde kontje naar je toedraait. Zeker in de sneeuw als zijn rode borstje prachtig afsteekt tegen al dat wit, is het puur genieten met de camera en een welwillend fotomodelletje.
Zwaluw nieuwsNico van Dam In de vorige Waardvogel vroeg Kees Rietveld hoe het met de gierzwaluwentoren bij de brandweerkazerne in Krimpen aan de IJssel is. Nu Kees, 2009 was eindelijk een mooie zomer met een periode van vast zomerweer, precies op het moment dat de jonge vogels naar onze streek komen om te kijken naar nestplaatsen. Het geluid stond aan in de toren en dit lokte een paar vogels om op de toren aan te vliegen en door de gaten heen te vliegen. Het gaat dus prima met de toren. In dezelfde periode is bij mij aan huis een tweede nestplaats bezet door een jonge vogel dus misschien volgend jaar twee paar gierzwaluwen aan de Parkhof.
Je andere vraag Kees, welke soort gierzwaluwen vliegen er rond op La Gomera op de Canarische Eilanden, is lastiger. Misschien zijn het gierzwaluwen van de soort Apus apus, maar ik denk dat jij daar de soort Apus unicolor hebt gezien ook wel Plain Swift genoemd. Deze soort broedt en verblijft altijd op de Canarische Eilanden. Het aantal van deze soort wordt geschat op zo’n 2000 broedpaar. Iets vertellen over de trekroute van gierzwaluwen is lastig, want de gierzwaluw trekt al weg als het hier nog volop zomer is, namelijk eind juli begin augustus. Gierzwaluwen trekken waarschijnlijk direct door tot zuidelijk Afrika en schuiven zo gedurende de wintermaanden telkens een beetje op naar het noorden. Dit vermoedt men, want, ja Kees, als je in Afrika nooit aan de grond komt en dag en nacht in de lucht leeft zijn er niet veel mensen die je zien.
Afgelopen jaar zouden de eerste boerenzwaluwen worden geringd bij de werkschuur van het ZHL in de Krimpenerwaard . In 2008 hadden in deze schuur 27 paartjes met succes gebroed. In het voorjaar van 2009 waren er 29 paartjes teruggekomen, een mooi aantal om te starten met het ringen van deze zwaluwen. Maar ook twee bosuilen hadden zin gekregen in een nestplek in deze schuur met als gevolg dat alle zwaluwen op de vlucht zijn geslagen. Het uitpluizen van een aantal braakballen toonde aan dat de zwaluwen niet zijn opgegeten door de uilen. Op www.boerenzwaluw.nl kunt u weer lezen hoe Bennie van de Brink de afgelopen winter de boerenzwaluw is achterna gegaan in Afrika. Tijdens deze reis in Zambia heeft hij weer veel zwaluwen geringd en ook waarnemingen gedaan van huis- en gierzwaluwen. Op 17 januari kun je lezen dat Bennie een zwaluw heeft gevangen die klaar was met de rui, dat betekent dat de zwaluw start klaar is voor de reis naar Europa. Nog even geduld, maar ze komen er aan. Dan begint hier het voorjaar weer! Zwaluw overzicht 2009 Gierzwaluw en gierzwaluwtoren 2009 was een goed jaar voor de gierzwaluw. Door een lange periode van mooi stabiel zomerweer, kwamen ook veel jonge vogels die nog niet broeden naar onze Krimpenerwaard. Enkele daarvan hebben op het geluid in de toren aangevlogen. Volgend jaar weer zo’n zomer en ze gaan de toren ontdekken!
Huiszwaluw Mevrouw Atty Broer heeft dit jaar Bergambacht weer secuur geteld op huiszwaluwen. Na de terugval van twee jaar geleden (daling van 150 nesten naar 70) is er afgelopen jaar weer een voorzichtig herstel op gang gekomen, ze kwam op 86 nesten. Vooral de kunstnesten waren allemaal bezet. Er werden ook meer nieuwe nesten tegenaan gebouwd.
Oeverzwaluw Ik heb geen melding gehad van oeverzwaluwen in de Krimpenerwaard in 2009. Wel heeft de aanbesteding voor de nieuwe natuur langs de Hollandsche IJssel plaats gevonden en daar is het plan voor een oeverzwaluwwand in opgenomen. Volgend jaar meer nieuws hierover.
Boerenzwaluw In april stonden wij met een zwaluwkraam bij het ZHL dat 75 jaar bestond. In de schuur aan Schaapjeszijde waren boerenzwaluwen druk bezig met nestbouw. Er zou op die locatie in 2009 voor het eerst zwaluwen worden geringd, maar door de komst van twee bosuilen in de zelfde schuur zijn de zwaluwen vertrokken. Jammer, maar misschien lukt het in 2010 wel om te ringen. Het aantal boerenzwaluwen in deze schuur bedroeg het afgelopen jaar 29 paar.
Nachtzwaluw Op 9 mei 2009 kreeg ik een melding van een mevrouw die een nachtzwaluw had waargenomen in haar boomgaard nabij Schoonhoven. Een mooie waarneming waarmee de zwaluwen het in de Krimpenerwaard het in 2009 niet slecht hebben gedaan.
Een jaar in het teken van de bruine kiekendiefGijsbert Mourik, vogelcoördinator NVWK Het jaar van… Sinds 2002 wordt door SOVON Vogelonderzoek Nederland en door Vogelbescherming Nederland jaarlijks een bepaalde vogelsoort uitgeroepen tot soort van het jaar. Door in dat jaar extra tellingen uit te voeren of door een specifiek beschermingsplan op te zetten, wordt beter inzicht verkregen in het wel en wee van de soort. De laatste jaren stonden onder andere de visdief, scholekster, nachtzwaluw en de veldleeuwerik in de schijnwerpers. … de bruine kiekendief Voor 2010 viel de keuze op de bruine kiekendief. Het is een vrij schaarse soort, die in heel Nederland gezien kan worden. Vooral ’s zomers, maar in zeer kleine aantallen ook ’s winters. Daar komt bij dat nog niet eerder een roofvogel als soort van het jaar is aangewezen, terwijl deze soortgroep juist bij veel jeugdige vogelaars tot de favorieten behoort. En tenslotte is het een belangrijke aandachtssoort binnen de Flyways-campagne, een internationale actie ter bescherming van trekvogels, waaraan ook Vogelbescherming Nederland deelneemt. Over de bruine kiekendief is inmiddels weliswaar vrij veel bekend, maar voor een gerichte bescherming van de soort is toch nog meer informatie nodig. In samenwerking met de Werkgroep Roofvogels Nederland en Werkgroep Grauwe Kiekendief Nederland willen SOVON Vogelonderzoek Nederland en Vogelbescherming Nederland dit jaar de openstaande vragen beantwoorden. Vooral het voorkomen van de soort in de wintermaanden, de voedselkeuze en het wel of niet broeden van bruine kiekendieven in lang niet onderzochte gebieden, zijn enkele onderwerpen waar relatief weinig over bekend is. Alleen met de hulp van vele vrijwilligers kunnen daar antwoorden op gevonden worden.
Waarnemingen invoeren SOVON en Vogelbescherming roepen elke vogelaar op een bijdrage te leveren aan het project. Ook wij kunnen daar in de Krimpenerwaard aan meehelpen. De meest eenvoudige manier om mee te helpen, is door alle bruine kiekendiefwaarnemingen consequent door te geven. Door de organiserende instanties wordt daarvoor samengewerkt met bestaande waarnemingensites, als www.waarne-ming.nl, www.telmee.nl , www.trektellen.nl en www.-natuurkalender.nl. De voorkeur van de NVWK gaat er naar uit om Krimpenerwaardse waarnemingen in te voeren op www.waarneming.nl. Op waarneming.nl ingevoerde gegevens kunnen door de NVWK relatief eenvoudig omgezet worden naar het eigen verenigingsarchief en dus ook gebruikt worden voor eigen onderzoek. Het is belangrijk dat de waarnemingen zo volledig mogelijk worden ingevoerd. Let vooral op het geslacht, de leeftijd, het gedrag, het biotoop en eventueel de vliegrichting. Aan waarnemingen uit het gehele jaar is veel behoefte, maar met nadruk wordt gevraagd zowel de eerste als de laatste waarnemingen van het jaar door te geven op de genoemde sites. Zo wordt geprobeerd zo nauwkeurig mogelijk de aankomst- en vertrekdata te bepalen op landelijk en regionaal niveau. Het fenologieonderzoek dat ook dit voorjaar door de NVWK wordt georganiseerd, draagt daaraan bij. Zie hiervoor de oproep elders in de Waardvogel en de website van onze vereniging: www.nvwk.nl. Daarnaast is het belangrijk eventuele (mogelijke) broedgevallen door te geven aan de districtcoördinatoren van SOVON. Voor onze regio wordt die functie bekleed door Rudi Terlouw en Diny Buisman (
Dit e-mail adres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
). Broedgevallen van de bruine kiekendief (en ook van andere roofvogels) worden eveneens graag ontvangen door Govert Vroegindeweij, roofvogelcoördinator van de NVWK. De NVWK en SOVON zullen de broedgegevens tussentijds en na afloop overigens met elkaar uitwisselen. Herkenning De bruine kiekendief is voor de meeste vogelaars geen onbekende. Met het formaat als van een forse buizerd is het één van de grotere roofvogels van ons land. Van de beduidend algemenere buizerd onderscheidt hij zich door een sierlijkere uitstraling tijdens de vlucht. Vanwege de langere en smallere staart en vleugels oogt de bruine kiekendief slank en met zijn vleugels in een lichte V omhoog gehouden, jaagt deze rover behendig boven slootkanten en rietvelden. Volwassen mannetjes en vrouwtjes zijn goed van elkaar te onderscheiden. De mannetjes zijn vooral bruin-grijs-zwart getekend. De bovenzijde kenmerkt zich door een bruine rug en vleugelbases, een grijze staart en grijze middenvlakken op de vleugels en contrasterende zwarte vleugelpunten. Aan de onderzijde heeft het mannetje een kastanjebruine buik, grijze staart en vleugels, met ook daar contrasterende vleugelpunten. De kop is wat lichter bruin. Het vrouwtje is vrijwel geheel donkerbruin, maar met een crème-gele kruin en keel. Ook de vleugelboeg kan gelig van kleur zijn, maar de mate daarvan is variabel en in sommige gevallen is die zelfs bruin. De staart is veelal roodbruinig.
Volwassen mannetje bruine kiekendief, foto: G. Gregori Juveniel. Zo verschillend als de volwassen vogels zijn, zo sterk lijken juveniele vogels op de vrouwtjes. Gelukkig zijn er toch een paar verschillen, zodat we alsnog de juiste leeftijd en het juiste geslacht bij de waarnemingen kunnen vermelden. Juvenielen verschillen onder andere van de vrouwtjes door de aanwezigheid van een smalle lichte rand tussen de grote dekveren en de slagpennen, op de bovenzijde van de vleugels. Deze rand wordt gevormd door de lichtere toppen van de grote dekveren. Verder zijn juvenielen donkerder bruin, met een zeer donkere staart en donkerdere ondervleugeldekveren. De bases van de handpennen zijn daarentegen juist lichter. Een wat beter zichtbaar, maar minder ‘hard’ kenmerk, is dat bij het grootste deel van de jonge vogels de gele vleugelboeg ontbreekt. Slechts bij een zeer klein deel ontbreekt eveneens de gele kruin en keel. Gedurende de eerste levensjaren kleuren de vogels langzaam naar het volwassenkleed toe. In die periode worden veel jonge mannetjes nog voor vrouwtjes uitgemaakt. In de meeste gevallen is deze fout te voorkomen door goed op te letten of de grijze vlakken op de boven- en ondervleugel, in contrast met de zwarte vleugelpunten, al voorzichtig door het bruin heen schemeren. Wanneer we de donkere vleugelpunten af zien steken tegen de rest van de vleugels, dan hebben we een mannetje in het vizier.

Onvolwassen mannetje bruine kiekendief, foto: G. Catley Voorkomen in Nederland en de Krimpenerwaard De bruine kiekendief is in Nederland vooral een doortrekker in kleine aantallen en een schaarse broedvogel. Hoewel een enkeling ’s winters in Nederland blijft, verblijft het overgrote deel van onze bruine kiekendieven in de winter in Zuid-Europa en Afrika. In het najaar trekken de meeste bruine kiekendieven in september weg. In oktober en november verdwijnt de rest. In het voorjaar komt de trek in maart weer op gang en in april wordt het hoogtepunt van de voorjaarstrek bereikt. De landelijke trend komt vrij goed overeen met de Krimpenerwaardse trend. De grafiek geeft voor 2006 tot en met 2009 aan hoe groot het percentage waarnemingen van elke maand was, ten opzichte van het totaal aantal waarnemingen van dat jaar. De gegevens voor de grafiek zijn door de jaren heen verzameld door de roofvogelwerkgroep van de NVWK. In Nederland broedt naar schatting circa 1300 tot 1450 paar. Daarvan broedt het grootste deel in de wat lagere gebieden van Nederland, waaronder de Krimpenerwaard. Rietvelden en natte ruigtevegetaties met enkele struiken hebben de voorkeur. Ook jagen doen ze graag boven rietlanden, veengebieden, moerassen en oevers. Vooral in de natte delen van Nederland neemt het aantal broedgevallen van de bruine kiekendief de laatste jaren toe, maar in de drogere gebieden neemt het juist af. Gemiddeld blijft het aantal broedende bruine kiekendieven daardoor ongeveer gelijk. In de Krimpenerwaard schommelde het aantal broedparen de afgelopen jaren tussen de 5 en 8 paar. 
Bron: Waarnemingenarchief roofvogels NVWK Meer informatie In het kader van het project is door SOVON de website www.jaarvandebruinekiekendief.nl gelanceerd. Op de site is meer informatie over het project te vinden en via diverse links kan actuele informatie over waarnemingen en trends bekeken worden. Via de site is het tevens mogelijk je aan te melden voor een digitale nieuwsbrief, die het komende jaar 4 á 5 keer zal verschijnen.
Vogelfenologie 2009Morrison Pot Het is februari en dat betekent dat de eerste vogels weer terug komen uit het zuiden. De grutto is de eerste, halverwege februari worden de eerste exemplaren alweer waargenomen. Een paar weken later mogen we de boerenzwaluw, fitis en zwartkop weer verwelkomen. Langzaam druppelen ze allemaal binnen, wie ziet ze als eerst? Dankzij het invoeren van waarnemingen en het invullen van fenologielijsten kan er een overzicht gemaakt worden van de aankomst van soorten. In dit fenologieverslag wordt een aantal soorten behandeld. Wanneer is de soort voor het eerst waargenomen? Door wie? En natuurlijk, wie is de fenoloog van het jaar?! Huiszwaluw (Delichon urbica) De huiszwaluw overwintert in tropisch- en zuidelijk Afrika en komt in april weer terug naar zijn broedgebieden. Ze broeden vooral aan gebouwen, die als alternatieve rotspartijen moeten dienen. Het nest wordt aan de buitenzijde van een gebouw, vaak onder een richel of dakgoot, van klei en leem gemaakt. De klei waarmee ze hun nest metselen verzamelen ze bij grote plassen, dicht bij een rivier. Het eerste exemplaar in de Krimpenerwaard werd precies op 1 april gezien door Henk Gazan, gevolgd door twee waarnemingen op 2 april door Cor Oskam.
Grutto (Limosa Limosa) De grutto overwintert aan de kust van West- Afrika en is een van de eerste die weer terug naar Nederland komt. Halverwege februari komen de eerste alweer binnen, voor veel mensen een teken dat het voorjaar er aan komt! In maart zijn de meeste grutto’s terug en eind maart worden de eerste eieren gelegd. Nederland is het belangrijkste Europese land voor de grutto, maar liefst 90% van alle grutto’s in Noord-West Europa broedt in Nederland. Het is dan ook erg belangrijk dat Nederland erin slaagt de grutto te behouden. Op 13 februari werd door Rudi Terlouw de eerste grutto in de Krimpenerwaard gezien. De dagen daarna werden er langs de Lek wat exemplaren gezien. Vanaf 21 februari kwamen de eerste groepjes de polder in. Op deze dag werden 4 waarnemingen gedaan van respectievelijk 10, 1, 3, 3 en 5. Tjiftjaf (Phylloscopus collybita) De tjiftjaf overwintert in Noord-Afrika. Ondanks hun gewicht van slechts enkele grammen leggen ze elk jaar heel wat kilometers af. In maart keert hij weer terug naar zijn broedgebieden. De tjiftjaf geeft de voorkeur aan bomen, bossen en bomenrijen, het maakt hem eigenlijk allemaal niet zo veel uit. Wanneer er maar genoeg bladeren zijn om voedsel tussen te zoeken, lijkt de tjiftjaf tevreden. Op 11 maart werd het eerst exemplaar gezien door Els Kooij, gevolgd door Rudi Terlouw op 12 maart. De dagen erna zouden er diverse waarnemingen per dag worden gedaan. Blauwborst (Luscinia svecica) De blauwborst komt in maart weer terug uit zijn overwinteringgebied in Afrika. In Nederland broedt de blauwborst in moeras-, hoogveen- en natte heidegebieden. De Nederlandse populatie bestaat uit zo’n 9000 tot 11000 broedparen. Pieter van Dam was de eerste die in 2009 een blauwborst hoorde zingen. De meeste blauwborsten in de Krimpenerwaard worden in de rietmoerassen langs de Lek, zoals Zanen en Verstoep en De Buitenlanden, waargenomen. Toch werd dit eerste exemplaar in het Krimpenerhout waargenomen. Nachtegaal (Luscinia megarhynchos) De nachtegaal overwintert in tropisch Afrika en komt vanaf april weer terug naar zijn broedgebied. Hij broedt in struweelrijke duingebieden, vochtige bossen en dicht struweel. In de Krimpenerwaard is de nachtegaal een schaarse soort. Op 17 april werd er een ontdekt door Maria Spruit in het Loetbos. Begin mei werd er ook nog een waargenomen op de Zaag. Purperreiger (Ardea purpurea) De purperreiger overwintert in West-Afrika en kom vanaf eind maart, maar vooral in april weer terug naar Nederland. Hier broedt hij in de moerassen van laag- Nederland. De purperreiger is een koloniebroeder. De grootste kolonies zijn te vinden bij de Nieuwkoopse Plassen, de boezems van Kinderdijk, de Zouwe Boezem en het Naardermeer. Vroege maart waarnemingen van de purperreiger hadden we in 2009 niet in de Krimpenerwaard. Het eerste exemplaar werd door Marcel Schildwacht waargenomen op 4 april, gevolgd door Rob van Straaten op 6 april.
Fenoloog van het jaar Elk jaar is de Fenologie natuurlijk een bloedstollende race! Wie vindt onze grutto, boerenzwaluw en boomvalk weer als eerste terug? Elke waarnemer die een soort als eerste heeft waargenomen krijgt 2 punten, de nummer twee krijgt 1 punt. Alles bij elkaar opgeteld komen we op de volgende uitslag uit voor 2009: 1. Cor Oskam: 17 punten 2. Rob van Straaten: 10 punten 3. Rudi Terlouw/ Diny Buisman: 10 punten 4. Harm Blom: 9 punten 5. Erik Kleyheeg: 8 punten 6. Henk Gazan: 8 punten 7. Maria Spruit: 7 punten 8. Ton de Groot: 6 punten 9. Morrison Pot: 6 punten 10. Els Kooij: 4 punten Bedankt voor het invullen en opsturen van uw fenologielijsten of het invoeren van waarnemingen. Blijft u dit vooral doen zodat we inzicht krijgen in de aankomstdata van onze vogelsoorten en we ook volgend jaar weer een interessant verslag kunnen maken.
Excursie Surfplas ReeuwijkArie Dorsman Ergens in november werd ik door de vogelcoördinator, Gijsbert Mourik, benaderd voor de traditionele Nieuwjaarsexcursie. Al een aantal jaren doen we dan een wandeling rond de Surfplas bij Reeuwijk. Een groot aantal leden bezoekt deze 1e excursie van de NVWK als start van een nieuw veelbelovend vogeljaar. Als voorzitter heb ik de eer om deze eerste excursie van het jaar te mogen begeleiden. Elk jaar zijn de weersomstandigheden anders, van koud tot warm, van droog tot nat. Een aantal leden meldden zich in de dagen voor de 9e januari enthousiast aan. Het vroor in het hele land. Dat betekent vaak dat er extra grote hoeveelheden vogels op de plas liggen en ook kans op bijzondere soorten. Zaterdagochtend 9 januari vroor het 5 C° en het waaide flink, hier en daar was het glad. Op de parkeerplaats bij de surfplas was er bij aankomst niemand. Ik liep snel even met verrekijker en telescoop naar het water om te kijken waar het wak lag en of er vogels in lagen. Tot mijn verwondering lag de hele plas nog open en was ze bezaaid met honderden, nee, duizenden vogels!Terug bij de parkeerplaats bleek Gijsbert Mourik ook gearriveerd en even later kwam er nog een lid van de vereniging, Jan de Boer. Met z’n drieën hebben we het rondje om de plas gelopen, de ijzige koude, de gure sneeuw en de snijdende wind trotserend. Maar zagen we nu ook nog vogels?

Jazeker wel, het begon met een prachtig overvliegende blauwe kiekendiefman, duizenden smienten, brilduikers, krakeenden, kuifeenden, tafeleenden, futen, dodaarsjes, aalscholvers, en twee maal een mooie waarneming van de ijsvogel. Op een gegeven moment landde er een groep van 40 Indische ganzen! U ziet, bij Natuur-en Vogelwerkgroep “de Krimpenerwaard” gaan de excursies eigenlijk altijd door, weer of geen weer. Als bewijs hebben we aan een voorbijganger gevraagd om deze actiefoto van onze “poolexcursie“ te maken. Bent u er volgend jaar ook bij ???????
Kramsvogel en koperwiekPeter de Mooij 
De schuwe kramsvogel die in de herfst nog zo slecht te benaderen is, blijkt als de winter verder vordert en de honger hem drijft te veranderen in een redelijk tamme lijstersoort. Kon je in de herfst nauwelijks dichtbij komen, nu lukt dat soms tot op drie meter afstand als ze druk doende zijn met de laatste overgebleven bessen in struiken of bomen. Favoriet voedsel blijft (hoe kan het ook anders met deze lijsterachtige) de lijsterbes en meidoornbes. Een vastgeprikte appel op een takje wordt zeer zeker niet versmaad door de kramsvogels en het loont de moeite om hem naar de tuin te lokken met een dergelijke lekkernij. In januari/ februari trekken veel kramsvogels tezamen met koperwieken (ook een lijsterachtige) waar ze het dikwijls mee aan de stok hebben, naar de binnensteden en stadse parken om daar voedsel te zoeken. Vinden ze nog een lijsterbes met bessen, dan blijft het groepje er dagenlang rondhangen net zolang tot de bessen opgegeten zijn en trekken dan pas weer verder. Ook wormen en insecten versmaden ze niet. Ik heb zelfs de indruk dat in de winter koperwieken meer op de grond foerageren en jagen naar wormpjes en andere insecten tussen de bladeren dan kramsvogels, die zich het liefst voeden met gemakkelijk te plukken bessen. Prik eens een appel op een tak in de tuin, naast dat andere vogels ervan snoepen bestaat een kans dat u kramsvogels en koperwieken naar uw tuin haalt! 
Oude vogels: kraaivogels en aanverwanten en nog even over de kwakCees Witkamp Kwak In de vorige Waardvogel stond een kort stukje over de kwak. Later vond ik nog wat meer informatie over het beruchte broedgeval in Lekkerkerk (in 1876). De Avifauna van Midden-Nederland (1971) en ook Zeldzame vogels van Nederland (1999) vermelden hierover dat dit het laatste zekere broedgeval van de kwak was, voordat de soort in de veertiger jaren van de vorige eeuw weer opdook (of herontdekt werd) in de Biesbosch. Iets wat de Krimpenerwaard voor deze soort dus nog meer bijzonder maakt. Kraaien en aanverwanten In dit stukje wil ik wat dieper ingaan op de kraaien en aanverwanten. In de tijd van Scheygrond kwamen 8 soorten kraaien rond Gouda voor. Verder wil ik de spreeuw en wielewaal gelijk maar meenemen in dit artikel. In zijn eerste artikel over de Avifauna Goudana -wat je zou kunnen vertalen als de vogelbevolking rond Gouda- uit december 1922 wijdt Scheygrond een behoorlijke lange passage aan de raaf. Daar ben je op dit moment denk ik snel over uitgepraat, maar Scheygrond geeft een zeer “gesloten” beschrijving van het voorkomen van deze soort. Via via verneemt hij dat in 1920 een paartje raven broedde op een particulier landgoed nabij Oudewater. Hij bezoekt het bos waar de vogels zouden broeden maar krijgt ze niet te zien. Via een ravenonderzoeker, Mr. Thiebout, hoort hij dat het nest er waarschijnlijk al veel langer zit, omdat een oude boer van 90 jaar, zich zijn hele leven al kan herinneren dat er daar raven zitten. In 1922 bezoekt hij het gebied weer en treft wel het nest aan maar het is niet meer in gebruik. Door een novemberstorm is een grote tak van de nestboom afgebroken en is het nest onbruikbaar geworden. De raven hebben inmiddels een nieuw nest gebouwd, wat op dat moment in een reigerkolonie ligt en al 1.25 meter hoog is. Tijdens dat bezoek ziet hij wel één vogel, maar gebroed wordt er dat jaar niet. Blijkbaar werden de vogels in dat bos gedoogd, hoewel de jachtopziener in 1906 een 7-legsel heeft uitgehaald voor de eigenaar. Scheygrond eindigt met: “Mogelijk zal dit paar hier nog vele jaren ongestoord kunnen broeden”. Kennelijk had hij een zwak voor deze soort. Maar waar de raaf in die tijd broedde blijft dus onduidelijk. Gelukkig zijn er meer beschrijvingen over dit ravenpaar. Uiteindelijk kwam ik in het gebiedboek van het Landgoed Linschoten een verhaal tegen wat vermeld dat het laatste paar raven hier in 1923 broedde, waarmee het één van de laatste paren van Nederland was. Hier wordt ook de link met het verhaal van Scheygrond gelegd. Helaas dus niet in de Krimpenerwaard.
Van de bonte kraai geeft Scheygrond aan dat het in die tijd een algemene wintergast en doortrekker was, vanaf de eerste week van oktober tot begin april. Een enkeling bleef ook in mei aanwezig. Op mooie dagen in oktober kon de hele dag trek van kleine groepjes bonte kraaien waargenomen worden. Oudere lezers van de Waardvogel zullen zich waarschijnlijk ook nog wel een veel algemener voorkomen van de bonte kraai kunnen herinneren.
De zwarte kraai was een algemene standvogel. Opvallend is dat één van de tijdgenoten van Scheygrond, C. Eykman, die in september 1912 een avifauna van het zuidwestelijk deel van de provincie Utrecht publiceerde, aangeeft dat de zwarte kraai in voor- en najaar vaak in grote vluchten overtrekkend gezien werd. Ik vraag me af wat ik hier nu mee aan moet: was de zwarte kraai een eeuw geleden een algemene trekvogel? En waarom nu dan niet meer? Of zou Eykman slaapvluchten bedoelen? En waarom noemt Scheygrond de zwarte kraai niet als trekker? Kortom, beetje onduidelijk, maar eerlijk gezegd geloof ik er niet in dat de zwarte kraai honderd jaar geleden een algemene trekvogel was.
Van de roek vermeldt Scheygrond kolonies bij het station van Moordrecht, de algemene begraafplaats van Gouda, Berkenwoude en een tuin in Haastrecht. In die tijd was de roek blijkbaar niet erg gewoon als wintergast; hij geeft aan dat de soort vooral van februari tot november aanwezig was. Gelukkig valt wederom in het geschiedboek van Landgoed Linschoten wat meer te lezen over roeken. In de oorlogsjaren hadden deze vogels het zwaar. De Plantenziektekundige Dienst uit Wageningen was toen belast met het bestrijden van schadelijk wild. Deze PD vroeg toestemming aan de eigenaar van het landgoed om de roeken te mogen bestrijden. Afgesproken werd dat dit mocht. In het voorjaar ging een bomenrooier met klimijzers en een lange stok de bomen in waar de roeken broeden. Met de stok stootte hij de nesten uit de boom, inclusief de daarin aanwezige jongen die versuft op de grond neerkwamen. Daar werden ze door de plaatselijke jeugd gedood. De bomenrooier nam de dode roeken mee en ze kwamen als piepkuikens op de borden van Duitse officieren in Den Haag terecht.
Aan de kauw worden weinig woorden vuilgemaakt: standvogel, die nog al eens in kerktorens probeerden te nestelen, maar daar dan verdreven werden. Ook de ekster krijgt weinig aandacht: het is een standvogel die naar het oosten toe steeds algemener wordt. Vermeldenswaard is nog een overwinterende ekster in het stadspark van Gouda in 1921-22, blijkbaar was de ekster toentertijd als stadsvogel zeer bijzonder.
De (dunsnavelige) notenkraker moet het doen met een melding uit najaar 1913 in Hekendorp. De invasie van 1911 is blijkbaar aan de Krimpenerwaard voorbij gegaan.
De situatie rond de vlaamse gaai was honderd jaar geleden nog al afwijkend van nu. De soort was in die tijd rond Gouda als doortrekker en wintergast bekend, als broedvogel ook in het Linschoterbosch. Waarom de soort rond Gouda niet broedde is ook Scheygrond niet bekend. In de winters 1918-19 en 1919-20 overwinterde een klein aantal in het stadspark van Gouda. Het laatstgenoemde jaar was een invasiejaar en gaaien werden toen in grote getale geschoten. Aan de spreeuw wordt ook weinig tekst gewijd. Wel leuk is dat boeren rond Gouda honderd jaar geleden onderscheid maakten tussen huisspreeuwen en boomspreeuwen. De boomspreeuwen konden onder-scheiden worden doordat ze mooier zongen. Verder zou nog eens goed gezocht moeten worden in het gemeentehuis van Berkenwoude, waar een albinistische spreeuw in opgezette vorm aanwezig zou moeten zijn uit voorjaar 1922.
De wielewaal is tegenwoordig toch een zorgenkindje, ook in de Krimpenerwaard. Ruim honderd jaar geleden was de soort ook niet algemeen, in tegenstelling tot de omgeving van Woerden en IJsselstein. Zelden werd er een gezien in het stadspark van Gouda. Scheygrond meldt wel dat de soort “vroeger” vrij algemeen broedde in de omgeving. Blijkbaar is de teloorgang van deze soort dus al veel eerder ingezet.
Bron illustratie raaf; http://static.howstuffworks.com
Last van aambeien ? Anton van Jaarsveld Ook na de kou van de afgelopen maanden kunnen we in de maand maart bloeiend speenkruid verwachten. De blaadjes van de plant waren vóór de vorst in december al duidelijk aanwezig. Zelf ben ik niet zo gek op de aanwezigheid ervan in mijn tuin: de plant is een aardige woekeraar! Kijk in maart maar eens in plantsoenen of in loofbossen; het ziet er prachtig geel van de bloemen, tenminste als de zon schijnt. Bij slecht weer blijven de bloemen dicht. De verspreiding gaat zo hard door zaadvorming èn vooral door zogenaamde broedknolletjes, die in de oksels van de bladeren worden gevormd. Als je met “onkruid”verwijdering in je tuin aan de late kant bent, dan vereist het verwijderen van de plantjes de nodige voorzichtigheid, want ongewild zaai je de knolletjes uit. Sommige tuinliefhebbers gedogen dan wel de bloemen, maar niet het gele blad in de maand juni. Voor de bestrijding ben je dan in wezen te laat. 
De Latijnse benaming is tegenwoordig ficaria verna. Ficaria is afgeleid van ficus, vijg. De vijgvormige knolletjes hebben tot de naam geleid. Verna betekent zo veel als in de lente bloeiend. De naamgeving past dus prachtig. De Nederlandse naam spreekt ook voor zich: de worteltjes lijken immers op spenen. In Zuid-Nederland staat “speen”voor “aambei” De grote kruidkundige uit de 17e eeuw Dodoens vermeldt, dat speenkruid werd gebruikt voor de bestrijding van aambeien. Een vies verhaal: je moest het sap van de plant vermengen met urine van de patiënt of met wijn en daarmee de pijnlijke plek insmeren. Volgens Dodoens hielp het! 
In vroeger tijden at men het jonge loof als sla, zoals men dat ook deed met bladeren van paardenbloem, cichorei en gewone melkdistel. Niet zo gek als we bedenken, dat in de bladeren daarvan veel vitamine C zit. Speenkruid heette vroeger in Duitsland niet voor niets “scheurbuikkruid”. Zoals bekend ontstaat de ziekte scheurbuik bij een tekort aan vitamine C. Het eten beperkte zich wel tot het jonge groen : in de uitgegroeide bladeren zit namelijk gif. Dat is niet verwonderlijk, want de plant maakt deel uit van de ranonkelfamilie met als vertegenwoordigers o.a. de giftige boterbloemen. Wel eens gekeken naar het moment waarop de bloemen zich sluiten ? Sommigen beweren, dat dat elke avond precies om vijf uur is. Of het dan om zomertijd gaat, wordt niet vermeld!
|