De KerkuilDe kerkuil is ten opzichte van de andere uilen licht van kleur. Vooral het witte masker met de daarin grote donkere ogen is heel typerend voor de soort. Er bestaat een lichte (Tyto alba alba) en een donkere vorm (Tyto alba guttata) van de kerkuil, en ze komen beide in Nederland voor. De kerkuil heeft een grote kop en een relatief klein, rank lichaam. Binnen de orde van de uilen behoren ze tot een aparte familie.

Het ging slecht met de kerkuil in Nederland. In 1979 telden we in totaal nog maar 100 paartjes. Nu meer dan 20 jaar later is dat opgelopen tot ongeveer 1700 broedpaar. In Friesland, Drenthe, Overijssel en Gelderland zijn de meeste broedende vogels te vinden. In de Flevopolder nam het aantal broedpaar ook spectaculair toe. Dit alles door de grote brede extensief beheerde wegbermen en door het aanbieden van kunstmatige nestgelegenheid. De eerste had een gunstig effect op de veldmuizen. De buizerds, als grote dagroofvogels, profiteren daar op winterse dagen ook duidelijk van. In Zuid-Holland blijft het aantal broedparen duidelijk achter ten opzichte van de rest van Nederland. Hun leefgebied bestaat vaak uit een half opencultuurlandschap met allerlei kleinschalige elementen. Op basis van braakballenonderzoek blijkt het een echte muizenvanger te zijn. Hoog op het menu staan veld-, huisspits- en bosspitsmuis. De populatie schommelingen zijn direct terug te voeren op goede of slechte muizenjaren. Vogels als prooi zijn bijna altijd huismussen.
In de Krimpenerwaard kennen we geen recent broedgeval. Wel worden kerkuilen met enige regelmaat waargenomen. Er zijn vanaf 1990 ongeveer 15 waarnemingen bekend. Soms erg interessant en spannend als een blijkt dat een paartje kerkuil zich geruime tijd ophoudt op de zolder van een schuur. Soms triest bij het vernemen van de vondst van een dood exemplaar langs een van de provinciale wegen. Maar goed, misschien komt het binnenkort toch nog is tot broeden.
|