Print

De ransuilĀ 

De ransuil is iets kleiner en vooral slanker dan een bosuil. Een duidelijk kenmerk zijn de lange oorpluimen, die gemakkelijk te zien zijn. De ogen zijn mooi oranje-geel. De kleur van hun verenpak is roestkleurig geel met grijze vlekken. Op de borst zie je forse lange grijsbruine spots. De ondervleugel is licht en de staart bevinden zich 6 tot 8 smalle dwarsbanden.

 



Een ransuil in de winter.
(foto: Rick v.d. Weijde)
Corotauria Natuurfotografie


In Nederland is de ransuil de meest verspreide en algemene uilensoort. Het totaal aantal bedraagt ongeveer 9.000 broedpaar . Hij komt voor in open landschappen, afgewisseld met bosjes, houtwallen en kaden. In de Krimpenerwaard broeden ongeveer 30 paar. Ze gebruiken in tegenstelling tot de bosuil vaak nesten van andere vogels. Vooral oude maar ook nieuwe nesten van zwarte kraai of een ekster zijn het meest bekende nestplaatsen. De ransuil is niet echt schuw. In de winterperiode kunnen veel ransuilen bijeen komen op zogenaamde roestplaatsen. Het is leuk om een boom vol met ransuilen te zien. In het Loetbos, nabij Lekkerkerk was in 1995 een boom waar 20 exemplaren bijeen kwamen. De meest bekende plek momenteel is in Achterbroek, Berkenwoude waar maximaal 23 uilen te zien waren.

Op de roestplaatsen worden vanaf januari de eerste contacten gemaakt voor paarvorming. Later in het seizoen, in de maanden maart en april, vinden baltsvluchten plaats in hun nieuw territorium. De vleugels worden tijdens deze vlucht onder hun lichaam tegen elkaar geslagen zodat een klepperend geluid ontstaat. Er worden 3 tot 5 eieren gelegd. Na 4 weken komt het eerste jong uit het ei en al na enkele dagen zijn de oorpluimen zichtbaar. De bedelroep van een jonge ransuil is van verre hoorbaar. Op het menu van de ransuil staan vooral veldmuizen, maar ook vogels, vooral huismussen en vinken zijn dan hun prooi. Net zoals bij bijna alle uilen sterft de helft van de jonge vogels nog in hun eerste levensjaar. Hiervan is ongeveer 35 procent verkeersslachtoffer. De ransuil is ten opzichte van de bosuil een minder uitgesproken standvogel en jonge vogels kunnen soms flink zuidwaarts trekken. In 1986 was er bijvoorbeeld een grootschalige influx waar te nemen van Scandinavische en Russische ransuilen in Noordwest Europa.