Print

40 jaar vogels in de Krimpenerwaard

Inleiding 

Ge komt uit Rotterdam gereden. Een mooie lentedag lokt tot zwerven, de fietsbanden lieten nog net een tochtje toe. Langs de Lek richting Lekkerkerk gereden, waar grote karekieten in de gorzen roepen, zien we het voorjaarsspel der weidevogels in de onmetelijke polder links. De lucht is vol van vogels, van kievieten en grutto's, tureluurs en kemphanen. Het is een steeds wisselend aspect van de Lek, waarover nu eens een zeilboot glijdt of een jachtje uit Rotterdam met felle witte zeilen, dan weer het armetierig schuitje van een parlevinker, die met groente, aardappelen en cigaretten aan boord de aken en beurtvaarders af gaat om zijn waar te slijten????..

Er is mij gevraagd voor dit jubileumnummer iets over de avifauna in de Krimpenerwaard te schrijven. De bovenstaande romantische passage uit het boekje "Roem van Ridders en Rivieren" speelde zich af in de jaren veertig, en geeft een duidelijk beeld van het toenmalige vogelleven.
Toen onze vereniging werd opgericht was er reeds van alles aan de gang. De Kemphaan was inmiddels als broedvogel verdwenen. De mens ging meer en meer zijn stempel drukken op verdere ontwikkeling van het Landschap en dat had nogal wat gevolgen, niet op de laatste plaats voor vogels.

Vogels in het recente verleden

In de Krimpenerwaard van weleer werd de grond gebruikt als grasland. Deze graslanden gaven voor weidevogels goede voedselomstandigheden en verder was er voldoende nestgelegenheid. In de vochtige, schrale en extensief gebruikte hooilanden kwamen onder andere soorten voor als Watersnip, Zomertaling, Kemphaan, Tureluur, Paapje, Gele Kwikstaart, Grutto, Kievit, Graspieper en Veldleeuwerik. Maar ook Patrijs, Kwartel en Kwartelkoning. Verder waren, door de vele muizen in de hooilanden, Ransuil, Steenuil en Torenvalk ook typische soorten van onze omgeving. De zangvogels voor het veenweidegebied van toen waren Gekraagde Roodstaart, Spotvogel, Tuinfluiter en Grauwe Vliegenvanger. In de moerasjes en uiterwaarden waren onder andere Roerdomp en Grote Karekiet te vinden.

De tureluur.
foto: Dhr. A. Eykenaar.


De factoren die er voor zorgden dat er veel is veranderd binnen het soortenspectrum van de avifauna zijn inmiddels meer dan duidelijk. De industri묥 revolutie, schaalvergroting en mechanisatie in de landbouw, bemestingsproblemen, beheersing en be﮶loeding van het waterpeil in de zomer en in de winter, de invloed van moderne bedrijfsvoering op weidevogels, bijvoorbeeld 驮 grassoort, het gebruik van vergiften en vooral de ruimtelijke ontwikkeling van de dorpen en stadjes, recreatiedruk zoals bijvoorbeeld de verdere ontsluitingen van kwetsbare gebieden.

Ik wil in dit stukje niet alleen met tranen in de ogen omkijken hoe fantastisch het in het verleden allemaal was. Feit blijft dat er wel veel veranderd is en alles in een zeer korte periode van nog geen vijftig jaar. Als vogelaar gaat mij het verlies van Kemphaan, Watersnip en Grote Karekiet natuurlijk aan het hart. Om maar niet te spreken van Kwartelkoning, Kwartel en Woudaap. In de jaren dertig was de Kwartel een niet ongewone verschijning in onze Krimpenerwaard.
Maar het is niet alleen kommer en kwel. Er zijn echter ook een aantal vogelsoorten die een opmerkelijke ontwikkeling doormaakten. Doordat meststoffen in het water terechtkomen groeit de biomassa in water en dit komt ten goede aan vissen en dat weer aan visetende vogelsoorten als Blauwe- en Purperreiger en Fuut. Het komt ook de Krak-, Slob- en Kuifeend ten goede. Verder zijn er gelukkig natuurorganisaties, zoals het Provinciale Landschap Zuid-Holland die zich sterk maken voor de natuurwaarde in onze Krimpenerwaard. Ze proberen weer een beetje een balans te vinden in het landschap. Er worden daardoor soms kleine succesjes behaald, maar kemphanen terughalen is een ander verhaal.

Actief op vele fronten

Binnen onze vereniging werd door de jaren heen regelmatig gekeken naar de aanwezigheid en ontwikkelingen van vele vogelsoorten. Er was onderzoek naar de aanwezigheid van broedvogels zoals de Spotvogel, de Fuut, de Rietzanger, de Huiszwaluw, de Zwarte Stern en de Steenuil, om er een paar te noemen. Voor sommige vogels lopen deze onderzoeken nog steeds. Er waren in de afgelopen jaren ook diverse inventarisaties. Het Loetbos in 1980 en 1998, het Krimpenerhout in 1980 en het afgelopen jaar 2001 zijn hier voorbeelden van. Verder werden ook diverse kaden onderzocht. Al jaren is er een terugkerend fenologie-onderzoek. Zo ook trekvogeltellingen. Deze vinden 4 tot 5 keer in het najaar plaats aan de Berkenwoudse Boezem. Verder de wintervogeltellingen die ons weer een beeld geven van de vogels die hier verblijven in de winterhalfjaar. Georganiseerd weidevogelen deed zijn intrede nadat duidelijk werd dat onder andere Grutto, Tureluur en Zomertaling, die tot dan toe zo vertrouwd waren in het landschap hollend achteruit gingen. Binnen enkele jaren kwamen vele vrijwillige weidevogelwachters bij diverse veehouders over de "vloer" met als doel gezamenlijk aan nestbescherming te doen. Naast deze werkgroep, kregen we binnen de vereniging ook een uilenwerkgroep en zwaluwwerkgroep. Een roofvogelwerkgroep moet nog vorm krijgen, maar zal een welkome aanvulling zijn.

Er is dus heel wat af geteld, geturfd, genoteerd en vastgelegd in afgelopen decennia om meer te weten te komen over vogels binnen de Krimpenerwaard. Daarnaast zijn er veel nestkasten opgehangen. Tevens werd er extra aandacht gevraagd voor vogels die dat op dat moment nodig hadden. (Gierzwaluw en Steenuil) Dit alles via persberichten en interviews in verschillende media. In strenge winters werden draaiboeken voor het bijvoeren van vogels uit de kast gehaald.

In dit stukje heb ik niet de pretentie om compleet te zijn, maar kan ik wel een redelijk beeld schetsen over veranderingen, die overigens vaak samen gaan met landelijke trends.

De opmerkelijkste veranderingen in de laatste vier decennia

Afname weidevogels
1961-2001
Toename weidevogels
1961-2001
TureluurScholekster
Gele kwikstraatKuifeend
GruttoWilde eend
Zwarte sternBergeend
GraspieperKrakeend
VeldleeuwerikMeerkoet
ZomertalingVisdief
WatersnipFuut
Patrijs"Nijlgans"

 

In 1973 werden er in polder Berkenwoude 100-125 broedpaar van de Grutto geteld. In 1980 konden daar nog maar enkele paartjes worden waargenomen (F. Maayenburg). Een dramatische val voor een van de meest markante weidevogels uit onze omgeving! Dit voorval staat jammer genoeg niet op zichzelf. De Zwarte Stern was in 1969 nog met 125-175 broedpaar aanwezig (Randstad en Broedvo-gels, Den Breejen, F.Maayenburg), maar viel diep weg tot ongeveer 56 paar in 1982. De afgelopen jaren ligt het aantal weer op ongeveer 100 broedpaar (R.J.S.Terlouw).

De Veldleeuwerik is als broedvogels sterk achteruit gegaan en de Patrijs is ook nagenoeg verdwenen. Daarentegen konden we de Kuifeend, Krakeend en Bergeend begroeten als nieuwe broedvogels. De Fuut heeft verder een opmerkelijke ontwikkeling doorgemaakt. In 1966 bleek uit een inventarisatie van onze NVWK dat er totaal 5 broedparen in de Krimpenerwaard te vinden waren. Het is inmiddels een algemene broedvogel (SOVON inventarisatie 1998, 1999 en 2000, NVWK).

Verder heeft de Nijlgans, of we dat nou leuk vinden of niet, zich definitief in de Waard gevestigd. Het verdwijnen van de Grote Karekiet was een trieste zaak. Een inven-tarisatie in 1959 gaf nog 24 broedpaar in de uiterwaarden van de Lek tussen Lekkerkerk en Schoonhoven (Randstad en Broedvogels) en een inventarisatie van de NVWK in 1962 telde maar liefst 60 broedpaar aan de Lek. Het verschil werd waarschijnlijk gemaakt doordat het traject van Lekkerkerk tot Krimpen aan de IJssel toen werd meegenomen.

Andere moerasvogels zoals de Roerdomp, Rietzanger en Snor zijn ook in aantal achteruit gegaan. De Blauwborst maakt de laatste jaren weer een positieve ontwikkeling door. Met buitendijkse broedgevallen aan de Lek, de Zaag en tegenwoordig ook in het natuur en recreatie bos het Krimpenerhout. In 1938 broedden er in de Bakkerswaal 1213 paar Aalscholvers. De nestbomen van de kolonie werden in de oorlogsjaren, 1944, omgezaagd en daardoor verdwenen de vogels. Na 驮 enkel broedgeval in de jaren 60 zijn de vogels sinds enkele jaren weer terug. Ze broeden nu in polder Kattendijk, Gouderak.

De zangvogels Roodborst, Grasmus, Fitis en Zwartkop, maar ook de Putter hebben een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Dit alles komt natuurlijk ook door de ontwikkeling van al het hout in de Waard. (Loetbos, EZH en Krimpenerhout)
De Gekraagde Roodstaart is nagenoeg verdwenen. Een lichtpuntje is wederom zijn aanwezigheid op de Zaag in Krimpen aan de Lek.
Verder doet de Groene Specht ook zijn best om zich definitief te vestigen. Incidentele broedgevallen waren er van Buidelmees, Wulp, Nachtegaal en Grote Zilverreiger.

Relatie ontwikkeling bos en zangvogels in het loetbos

Vogels in het Loetbos19801998
Houtduif633
Merel831
Heggenmus311
Roodborst124
Tuinfluiter826
Zwartkop237
Tjiftjaf1681
Fitis3573
Pimpelmees236
Koolmees343

Roofvogels

Een andere positieve ontwikkeling hebben, vooral de laatste tien jaar de roofvogels doorgemaakt. Dit alles echter nadat de vogels jarenlang geconfronteerd werden met een slecht imago. Stapeling van landbouwvergiften zorgden voor veel slachtoffers en er was een actieve vervolging. Deze vervolging hield in dat de vogels geschoten werden, eendagskuikens neergelegd werden met parathion of strychnine. Verder werden er nesten uitgehaald, nestbomen omgehaald en meer van dit soort (ziekelijke) praktijken.

In 1975 heeft de diergeneeskundige dienst in Nederland 1948 roofvogelkadavers onderzocht. Hiervan waren 912 vogels een onnatuurlijke dood gestorven. Toch is er een kentering ontstaan. De Havik is de laatste jaren een vaste broedvogel in onze buurt. De Sperwer, de Bruine Kiekendief, de Bosuil en de Buizerd doen het eveneens goed. De aantallen van Ransuil en Steenuil zijn echter verminderd.

Wintervogels en invasiejaren

De Krimpenerwaard blijft voor veel vogels een belangrijk overwinteringgebied Dit alles blijkt onder meer uit 10 jaar wintervogeltellingen (M. Schildwacht). Er werd in de periode 1989-1999 door een legertje van 67 verschillende leden geteld. Maandelijks op pad, door weer en wind, met verrekijker, telescoop en notitieboekje. Er zijn in totaal 166 verschillende vogelsoorten waargenomen. Enkele van deze soorten voldoen aan de zogenaamde 1% norm die gehanteerd word voor vogels die ecologisch afhankelijk zijn van water. Op plaatsen waar deze vogels voldoen aan dit criterium zijn ze volgens de Wetland Conferentie van internationale betekenis, en krijgen hierdoor een extra beschermde status. Deze norm blijkt op te gaan voor soorten als Kleine Zwaan, Kolgans, Smient en Krakeend. De Grote Zilverreiger (vanaf 1993) en de Slechtvalk (vanaf 1991) zijn inmiddels jaarlijkse en dus vaste wintergasten geworden.

Natuurlijk werden we in de afgelopen 40 jaar ook een aantal keer geconfronteerd met invasies. Een opmerkelijke grote invasie van de Notenkraker deed zich voor in 1968. In heel Nederland werden toen ongeveer 2400 vogels gezien, enkele werden opgemerkt in de Krimpenerwaard.
Verder waren er enkele keren opvallend veel Pestvogels. Een hele grote invasie deed zich voor in de winter van 1965/1966. Nationaal kwamen we op een aantal van 11.000 vogels uit. De eerst gedocumenteerde Pestvogel in de Krimpenerwaard staat vreemd genoeg op 16 oktober 1966. Een jaar na de grote invasie. Na die tijd zagen we ook veel Pestvogels in de winter van 1995/1996.
Grote aantallen Barmsijsen waren er in 1975, 1986 en in 1996. Zwarte Mezen overspoelden ons onder andere in 1989. Dit was de grootste invasie. Naast deze jaartallen waren er nog meer jaren waarin diverse vogelsoorten een invasieachtig beeld lieten zien, maar dan niet in grote aantallen.

De pestvogel.
foto: Gert Blom.


Vogels ringen

Gedurende vele jaren zijn er vogels geringd in de Krimpenerwaard. In een grijs verleden werd dit gedaan door de heer M. den Breejen uit Ouderkerk aan den IJssel. In een latere fase werden o.a. Buizerds, Torenvalken, Bosuilen en Steenuilen geringd door vogelringstation Nebularia. We hebben inmiddels goede ervaringen en contacten met hun. Een aantal van de ringers van Nebularia wonen in de Krimpenerwaard en zijn tevens lid van onze vereniging. In 1999 konden we de eerste haviken laten ringen.

Terugmeldingen van ringen geven weer informatie over het wel en wee van de specifieke vogels. Zo werd een van de jonge haviken binnen een jaar dood gemeld. Geringd op 3 juni 1999; dood gevonden op 4 januari 2000. Ze was tegen een hoogspanningsdraad gevlogen nabij Schelluinen. Een tien jaar oude Steenuil werd levend aangetroffen in een nestkast, op een steenworp afstand van zijn geboorteplaats. De vogel bleek bij de buren opeens een nestkast te bezetten. Dit is dan weer erg leuk nieuws. Er werden door Nebularia vanaf 1987 in totaal 5420 vogels geringd in de Krimpenerwaard. Hieronder 429 Torenvalken, 32 Buizerds, 141 Bosuilen, 115 Steenuilen, 122 Boerenzwaluwen, 312 Merels, 534 Koolmezen, 212 Pimpelemezen,111 Grote Barmsijsen en 1712 Visdiefjes. Deze laatste soort werd vooral op het Rivium, Capelle aan den IJssel geringd.

Excursies en vogelaars

In de begin jaren van de NVWG werd er door een select groepje mensen, natuurvrinden genoemd, naar vogels gekeken. Bloemen en planten werden dan ook graag meegenomen. Met plezier heb ik de verschillende verslagen uit "stokoude" Waardvogels er nog eens op nageslagen. Een verslag van een excursie naar de Zaag op de ene bladzijde en op de volgende pagina een kopje met "weer een excursie". Er waren zelfs expedities naar de binnenlanden van polder de Nesse. En wie dacht dat polder de Nesse een uiterst saaie polder was, kwam bedrogen uit. Hij stond bol van de meest exotische soorten. Een absolute favoriet in die tijd was het bezoeken van de Potterskade. Ook bekend als de Ouderkerkse Landscheiding. De kade werd niet wekelijks bezocht, maar men kwam er wel vaak. De vogelaars van het eerste uur gingen zelfs gezamenlijk in het najaar naar een van de Waddeneilanden om dᡲ vogels te kijken. De vrouwen mochten ook mee. Volgens het verslag vonden de vrouwen het gezellig, leuk en leerzaam om hun mannen mee te maken tijdens het uitoefenen van hun hobby!! Ik ken ze die hier anders over denken. Er werden ongetwijfeld mooie waarnemingen gedaan en prachtige momenten beleefd tijdens het bekijken van alle vogels. Zo ook hier in de Krimpenerwaard. Op sommige waarnemingen ben ik nog steeds jaloers.

Excursies van de laatste jaren zijn voor mij nog steeds synoniem aan koffie en boterkoek, kortom mevrouw Gr頶an den Heuvel uit Stolwijk. Veel mensen hebben hier een goede herinnering aan.

Maar hoe zit dat nu eigenlijk met vogelaars? Klopt het dat deze mensen nooit een echte hobby hebben gevonden. Wat is nu eigenlijk hun drijfveer? Waarom loopt iemand achter vogels aan? Het levert immers niets op en kost alleen maar tijd! Kijkt iemand naar vogels als compensatie bij het gemis zelf te kunnen vliegen? Of is het toch een soort virus? Een virus waar maar een medicijn voor is, namelijk regelmatig naar buiten, het groen in. Ik kan het niet goed uitleggen, ondanks dat ik zelf ook zo'n figuur ben. Het heeft te maken met gefascineerd zijn door kleur en uiterlijk, bewondering hebben voor prestaties, vragen beantwoord willen zien over gedrag, verschijning en voorkomen en vooral m驲!

De vogelaar van het eerste uur verschilt volgens mij niet veel van de tegenwoordige. De vogelaars van tegenwoordig hebben het echter wel makkelijker. De optische technieken zijn opmerkelijk verbeterd. Er zijn nu juweeltjes van vogelgidsen, wat determinatie van soorten makkelijker maakt. Verder zorgen andere hulpmiddelen op communicatie en informatie-gebied, buzzers, semafoons, piepers, websites, zwaailichten, etc. er voor dat eigenlijk geen enkele vogel meer gemist hoeft te worden. Voor twitchers zijn het onmisbare hulpmiddelen. Het voordeel van dit alles is dat meer vogels gespot worden en dat meerdere mensen kunnen meegenieten van een bijzondere of zeldzame waarnemingen en daar doorgaans dankbaar voor zijn.

Vogelnamen en vogelsoorten

In de ons achterliggende periode kregen diverse vogels een andere naam. Soms gelukkig, dan weer met het idee van moet dat nu. Namen als Kleine Zeemeeuw, Moeraszwaluw, Boschduif, Bastaardnachtegaal, Kapmeeuw en Zwartgrauwe Vliegenvanger liggen al ver achter ons. Matkopmees en Vlaamse Gaai werden kort maar krachtig Matkop en Gaai. Sprinkhaanrietzanger mocht "riet" inleveren. Tortelduif werd tot grote vreugde Zomertortel. Verder kregen diverse Kwikstaarten een nieuwe geboortekaartje.

Er zijn inmiddels al heel wat verschillende vogels gezien hier in de Krimpenerwaard. In het speciale jubileumnummer uit 1986 liet Rudi Terlouw reeds een opsomming zien van bijzondere waarnemingen. In 1965 werden onder meer Koereiger, Kwak, Kwartelkoning en Klapekster gemeld. Helaas is er voor deze vogels geen exacte data bekend. Een jaar later kwamen daar, overigens weer zonder datum, Zwarte Ooievaar, Kraanvogel en Draaihals bij.

Halverwege de jaren negentig heb ik geprobeerd de verschillende soorten in een lijst onder te brengen. Dat is een heel gepuzzel, maar levert soms leuke resultaten op. Om een goed overzicht te krijgen ben je verder natuurlijk afhankelijk van individuele waarnemers, of het nu over de vers ontdekte of oude waarnemingen gaat. Op deze manier kan er dan plots weer een nieuw soort boven water komen. Nieuwe inzichten in de taxonomie en DNA technieken zorgden ook voor een handvol nieuwe soorten. De ontwikkelingen bij de kwikstaarten is hier een mooi voorbeeld van.

Een van de mooiste waarnemingen vond ik de Grote Trap in polder de Nesse. De Heer Stolker is toen wel drie keer gaan kijken om vervolgens toch weer uit te komen op die ene soort. Zo van "Nee echt geloof me nu, het is geen Nijlgans". De vogel is in een latere fase overigens gevangen en opgelapt bij de Vogelklas Karel Schot te Rotterdam. Hij was ernstig verzwakt en vermagerd. Nadat het beter ging, werd hij geringd en uiteindelijk losgelaten nabij Lelystad. Een jaar later werd de vogel teruggemeld vanuit voormalig Oost-Duitsland. Dood helaas, terwijl een Vos daarvan profiteerde.

De Ralreiger in Berkenwoude in 1996 kwam ook als een volslagen verrassing. De foto's van het beest heb ik in een latere fase aan het verenigingsarchief kunnen toevoegen. In de laatste 5 jaren konden er 25 nieuwe soorten op de lijst bijgeschreven worden. In 1995 kwamen Grauwe Franjepoot, Appelvink en Raaf op de lijst. In 1996 kwamen daar Ralreiger, Geelpootmeeuw, Poelruiter en Hop bij. Na 1998 prijkten Roodpootvalk, Temminck's Strandloper, Kuifkoekoek, Waterrietzanger en Pallas'Boszanger er op. Dit jaar wisten vogels waarschijnlijk van ons jubileum en kwamen vervolgens vroeg in het seizoen een Dwerggans, daarna een Amerikaanse Smient, gevolgd door een Vale Gier (het waren er zeer waarschijnlijk meer). Het bericht was nog maar amper verwerkt of er vloog een Aasgier over Krimpen aan de Lek. De dag ervoor werd in Limburg de eerste Aasgier voor Nederland gezien! Of dit nog allemaal niet genoeg was kwamen, niet 驮?? maar 2 Poelsnippen overvliegen tijdens de trek-vogeltellingen aan de Berkenwoudse Boezem.

Een aasgier boven Krimpen a/d Lek.



Door al deze waarnemingen, uit de vroegste jaren en de meest recente, ontstaat er uiteindelijk een fraaie lijst, met inmiddels precies 251 soorten.

Lang geleden, 1920 is er ook al een poging geweest om de vogelsoorten uit onze omgeving bijeen te brengen. Dit heeft zich vertaalt in de Avifauna Goudana. In totaal staan 165 vogelsoorten in een bijzondere volgorde op deze lijst. Geelgors, toen de gele kneu genoemd, Woudaap, Patrijs, Kwartel, Kemphaan en Kwartelkoning waren algemene broedvogels. Een geweer was in die tijd overigens een prima hulpmiddel om te komen tot een juiste determinatie!

In het slot van de Avifauna Goudana van Dr. A. Scheygrond, in de Levende Natuur van 1922 geeft hij aan te hopen dat de lijst navolging zal mogen hebben, en dat vooral jonge vogelaars zich aangetrokken zullen voelen om ook een dergelijke lijst van hun omgeving samen te stellen. Woorden van gelijke strekking van hem zijn eveneens te vinden in ons jubileum nummer van 1986.

Er is dus weer een lijst die een tijdsbeeld vastlegt en dat zal in 2061 ongetwijfeld weer anders zijn. Ik hoop echter dat veel mensen in de toekomst nog zullen genieten van de adembenemende duikvluchten van de Boomvalken, de elegantie van een Purperreiger of een Grote Zilverreiger, de Grutto en Tureluur alarmerend op een hekkenpaal. Huismussen in de achtertuin. Grote groepen Kolganzen en Smienten in weidse polders, zingende Blauwborsten en Snorren in rietkragen, een Steenuil in de vroege lente zon, kortom een grote verscheidenheid aan vogels in de directe omgeving. Laten we er zuinig op zijn!

Cor Oskam

Verwijzingen:

Avifauna Goudana
Dr. A. Scheygrond, de levende natuur 1922

Broedvogels van het Loetbos
A. Lagerwaard, de Waardvogel juni 1980

Randstad en Broedvogels
Werkgroep avifauna West Nederland 1980

Roem van ridders en rivieren
Anton van der Vet 1944

Rietzangers in de Krimpenerwaard 1989-1991
M. Schildwacht, R.J.S. Terlouw, NVWK 1992

Resultaten Huiszwaluw en Rietzanger 1989
P. Mourik, de Waardvogel febr. 1990

De Spotvogel in de Krimpenerwaard
R.J.S. Terlouw, de Waardvogel dec. 1992

De Huiszwaluw in de Krimpenerwaard
M. Schildwacht, de Waardvogel dec 1993

Inventarisatie Loetbos
C. G. A. Oskam, de Waardvogel 1990


10 jaar wintervogeltellingen in de Krimpenerwaard
M. Schildwacht, NVWK 1992

Lijst vogelsoorten Krimpenerwaard
C.G.A. Oskam, editie 2001

Ecologische Atlas van de Nederlandse weidevogels
Albert Beintema, Oene Moedt, Danny Ellinger, Schuyt en Co, 1995