Langs de West-Vlisterdijk worden de knotwilgen
dezer dagen weer drastisch teruggesnoeid. (Foto: Martin Droog)
Dit keer een rondje vanuit Haastrecht, waarbij we de auto bij gebouw Concordia hebben neergezet. Op de West-Vlisterdijk oppassen voor de auto's, maar na de oversteek naar keuze, al naar gelang de kou bij de Stokkenbrug, de Tweewaardenbrug, of bij de Vlisterstee – is de terugweg aan de oostkant heel wat prettiger.
We volgen nu een stukje Molenvlietroute en blijven op het dijkje, ook als dit een karrenspoor wordt. Langs de Zijdeweg keren we terug naar Haastrecht. Waar een wilg is, is een weg: het was tot niet zo lang geleden een vaste uitdrukking van de boeren in de Lopikerwaard. Waarmee zij maar gezegd wilden hebben, dat het knotten van wilgen een praktische waarde moest hebben en dat die karakteristieke bomen in de Nederlandse polder dus gemakkelijk bereikbaar moesten zijn. Niet midden in het land, maar langs de wegen en paden.
Zij hadden nooit iets anders van hun voorouders geleerd, omdat de knotwilg (eigenlijke naam schietwilg) onmisbaar was bij het dagelijks werk op en rond de boerderij. De lange buigzame wilgentenen werden gebruikt bij het vlechten van korven en manden, voor de hoepels van de vaten en zelfs al snel bij het maken van zinkstukken bij waterwerken.
De dikkere takken werden gebruikt als stelen aan spade, riek en bezem, uiteraard als paaltjes om het prikkeldraad aan te bevestigen en de restanten verdwenen in de haard. De uitdrukking van geriefhout wordt hiermee iets begrijpelijker.
In dat opzicht is de knotwilg nauwelijks nog functioneel, maar gelukkig is langzaam maar zeker het besef doorgedrongen, dat deze boom een onvervangbaar, prachtig element is in ons landschap en dat steeds meer vrijwilligers bereid zijn om een handje te helpen bij het 'mishandelen' van de bomen.
Overal lees je nu oproepen van milieu- en natuurverenigingen als de IVN om de komende zaterdagen een handje te komen helpen bij het terugsnoeien van de pruik, zoals het bovenste gedeelte van de boom heet.
Want zo van half januari tot begin maart is de beste tijd om te knotten.
Een schietwilg kan gemakkelijk 25 meter worden en kan in de open polder, in de drassige bodem, een gemakkelijke prooi worden van een storm. Dat knotten is dus ook in het belang van de boom. Bij de els lukt het ook, maar verder zijn er weinig bomen, die zo'n ingrijpende snoeibeurt om de drie jaar overleven. Voortdurend moeten de wonden zich herstellen en moeten er bijna tegelijk nieuwe scheuten worden aangemaakt. Opvallend is ook, dat naarmate een knotwilg ouder wordt, de stam zich gaat openvouwen en ook daar heeft de boom heel lang nauwelijks hinder van.
De knotwilgen met hun brede kruinen, holen en stoppels hebben in de loop der tijden ook een steeds belangrijker eigen leefgemeenschap gevormd, met tientallen soorten paddenstoelen, mossen en andere hogere planten, maar ook een breed scala aan dieren.
Onder de schors zitten veel insectenlarven en dat trekt uiteraard spechten en andere insecteneters aan. In de holtes van de pruik hebben we in de loop der jaren torenvalken, steenuiltjes, kool- en andere mezen (in de gaatjes) en ook heel wat broedende eenden aangetroffen. Die worden in de boom niet gestoord door vossen en vooral honden en katten en weten instinctief dat hun superlichte donspropjes van kuikens onbeschadigd op de grond stuiteren.
Eigenlijk zouden de boeren heel blij moeten zijn met de vrijwilligers, die de komende weken weer de knotwilgen in de zogenoemde houtkanten een goede beurt geven. Want een wilg, die goed in het blad zit, verdampt ruim vijftig liter water per dag aan de randen van de drassige polders.