|
Veenweidepact en natuur in de Krimpenerwaard.Arie Dorsman In het aprilnummer heeft Dick Anker zijn persoonlijke kijk op de ontwikkeling van het veenweidelandschap uiteen gezet. In de Waardvogel van juni volgde een reactie van Dirk Huitzing met zijn visie op de toekomst van het Veenweidegebied. Zoals toegezegd in eerdere Waardvogels zal de bijdrage van het bestuur van de vereniging de reeks reacties afsluiten.
Het mag duidelijk zijn geworden uit de bijdragen van Dick Anker en Dirk Huitzing dat het Veenweidepact gaat over een gebiedsvisie voor de Krimpenerwaard en de uitwerking daarvan. Bij deze gebiedsvisie voor de Krimpenerwaard, die voor een groot deel bestaat uit veenweide, staan een aantal belangen centraal te weten economie (agrarische productie), natuur, recreatie en infrastructuur (water en wegen) Ik wil mij in deze bijdrage vooral richten op een gewenst landschapsbeeld voor natuur.
In het Veenweidepact wordt voor de 2450 ha. natuur in principe een verdeling in drie landschapstypen benoemd, te weten: 1/3 Weidevogelgebied, 1/3 nat schraalland, 1/3 moerasgebied. De drie landschapstypen worden met elkaar verbonden door een robuuste Natte As als onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur tussen Biesbosch en IJmeer. Een belangrijke doelstelling van het Veenweidepact is het terugdringen van verdroging van het veenpakket.
E�n misverstand over natuurontwikkeling in de Krimpenerwaard is hiermee uit de wereld en dat is de bosvorming. Het is vooral niet de bedoeling om de openheid van de Krimpenerwaard te verstoren door aaneengesloten bos. Persoonlijk zie ik veel meer mogelijkheden om en zeer gevarieerde natuur te laten ontstaan, rijk aan biotopen met bijbehorende levensvormen. Van micro-organismen tot eindpredatoren. Kortom de vorming van complete voedselketens. Het begrip biodiversiteit staat centraal bij natuurontwikkeling.
Vooralsnog is het niet te laat om veel energie te steken in reservaten voor de weidevogels. Het is weliswaar tien voor twaalf, vooral de gruttopopulatie staat onder enorme druk en is mogelijk dramatisch op weg naar uitsterven in Nederland. Ook het aantal veldleeuweriken is drastisch gedaald. Toch kan, volgens enkele bronnen, een snelle verbetering in het veenweidegebied, het tij keren (zie ook het artikel van Rudi Terlouw).
De veldleeuwerik
In de weidevogelreservaten kan snel gewerkt worden aan een landschapsbeeld, vergelijkbaar met het landschap van de jaren 1930-1950. Belangrijk uitgangspunt is daarbij verhoging van het grondwaterpeil. De grasgroei zal hierdoor vertragen waardoor ook meerdere kruiden weer een kans krijgen om tot ontwikkeling te komen. Door het graven van veel greppels met flauwe oevers kan het oppervlaktewater makkelijk de percelen binnendringen. Dit komt ook overeen met de belangrijkste doelstelling van het Veenweidepact om de verdroging terug te dringen. Nu is het zo dat er in de hoog productieve graslanden een monocultuur bestaat van een snelgroeiend gras met een hoge eiwitopbrengst. Deze monocultuur moet, naast een grote drooglegging ook nog in stand gehouden worden met bestrijdingsmiddelen die in de bodem, de melk en het rundvlees terecht komen. Veel micro-organismen worden ongezien vergiftigd door deze bestrijdingsmiddelen.
Bemesting van de percelen in de weidevogelreservaten kan in hoge mate verminderd worden. Op het moment dat de wortelzone minder voedingstoffen te bieden heeft krijgen meer kruiden de mogelijkheid om de concurrentie met grassen aan te gaan. Een hogere variatie in de graszode leidt tot meer insecten boven en onder de grond.
Een ander uitgangspunt is de verlate maaidatum. Door de tragere groei van grassen en kruiden (door een hoger grondwaterpeil en minder meststof in de bodem) zal er later en minder gemaaid kunnen worden. De weidevogels krijgen zo meer tijd om hun cyclus van aankomst uit de overwinteringgebieden, opvetten, paarvorming, nestbouw, eieren leggen en uitbroeden, jongen groot brengen en ruien met succes uit te voeren.
Rust in de reservaatsgebieden is voor veel weidevogels een bepalende factor om de eerder genoemde cyclus te kunnen doorlopen. Verstoring in het open gebied, door recreatie of werkzaamheden tijdens het broedseizoen moet zoveel mogelijk vermeden worden.
Een ander onopgemerkte tendens is het medicijngebruik bij de hoog productieve melkkoe. Om de coproductie van de koeien in stand te houden zijn vaak veel medicijnen nodig. De koeienvlaaien die door deze dieren worden geproduceerd zijn zo goed als steriel. Er is nauwelijks nog iets te halen voor insecten. Bij de inrichting van de weidevogelreservaten past dan ook een ander veetype of meerdere veetypen en een lagere veebezetting. Kortom het betekent een totaal ander beeld van agrarische bedrijfsvoering. Het zou goed zijn als Krimpenerwaardse agrari�rs met hun belangenbehartigers LTO en Weidehof initiatieven in de richting van deze bedrijfsfilosofie gaan nemen. Op termijn is een veehouderijbedrijf, in een veenweidegebied als de Krimpenerwaard, met minder koeien, minder melk en minder mest maar met veel meer natuur misschien wel de enige rendabele vorm. Het "produceren" van natuur moet voor de agrari�r wel een substanti�le aanvulling voor zijn jaarinkomen vormen.
Zoals het Veenweidepact nu in elkaar zit wordt er veel natuurontwikkeling en beheer in handen gegeven van het Zuid-Hollands Landschap. Dat lijkt mij volkomen terecht. Het ZHL bezit veel kennis, inzicht en ervaring in de drie landschapstypen zoals eerder genoemd. In het artikel van Rudi Terlouw wordt ook voldoende duidelijk dat er met een combinatie van de drie landschapstypen (moza�ek beeld) gewerkt wordt aan een zeer rijke biodiversiteit. Het ZHL is bezig met een studie naar de mogelijkheden van een Natuurboerderij waarin het beheer van Weidevogelreservaat in combinatie met nat schraalland en moerasnatuur uitgevoerd gaat worden. Bewoners en bezoekers van de Krimpenerwaard krijgen op termijn een bijzonder mooi, karakteristiek, gevarieerd landschap met een rijke natuur en diverse soorten koeien in de wei. Voorwaar een beeld waar maatschappelijk draagvlak voor te krijgen valt. De begrenzingen van het landschap in het veenweidepact
|