Vlinderfenologie 2003 Print
Geschreven door Ewald   
woensdag, 24 september 2008 12:25

 

Fenologie verslag van 2003

 

Paul Schrijvershof, vlindercoördinator

Inleiding

Op het moment dat U dit leest is februari al weer een eind op streek. Misschien heeft U de eerste vlinders van dit jaar al onwennig voorbij zien fladderen. Toch wil ik in dit artikel nog even met u terug kijken op het jaar 2003. Een jaar met een hele warme zomer en vele bijzondere vlinderwaarnemingen. Allereerst een jaaroverzicht van het weer, met enige landelijke fenologische uitschieters op dagvlinder gebied (Natuurkalender.nl). Vervolgens blikken we terug naar de eerste en laatste meldingen in de Krimpenerwaard. Zo krijgt u gelijk een idee vanaf wanneer u de eerste exemplaren van elke soort kunt verwachten.


Het weer in 2003

De winter van 2002/2003 was koud, aan de natte kant en had de normale hoeveelheid zon. Zowel januari als februari waren met gemiddelde temperaturen van 2,5�C en 1,8�C kouder dan wat we nu normaal vinden. Sinds de winter van 1996-1997 hadden we niet zo'n koude winter. Toch hadden we in januari een flinke periode met gemiddelde temperaturen boven de 5�C. In vergelijking met de periode 1940-1968 (fenologische referentieperiode) was januari ruim een graad warmer. Door de koude start van februari bloeiden de els en de gele kornoelje bijna twee weken later dan in 2002. In 2002 had februari dan ook een gemiddelde temperatuur van 7,1�C, in 2003 was dit maar 1,8�C. Na 20 februari kwamen de maxima boven de 10�C te liggen en brak een uitzonderlijk zonnige periode aan. Dit had direct effect op het aantal vlindermeldingen. Als de zon maar krachtig genoeg schijnt op de plek waar de vlinder zit, kan de vlinder wakker worden en gaan vliegen. In januari en begin februari werden enkele vroege tot zeer vroege waarnemingen gedaan van de vlinderoverwinteraars kleine vos (9 januari), dagpauwoog (14 januari), citroenvlinder (24 januari) en gehakkelde aurelia (7 februari). Na 20 februari nam het aantal waarnemingen sterk toe tot wel boven de 30 op 28 februari. Dit is een hoog aantal voor een dag in februari, maar op zonnige en warme dagen in maart of april komt dat wel vaker voor.
De warmte aan het einde van februari zette zich door in de daaropvolgende maanden. Het werd een zeer zacht en zeer zonnig voorjaar met de normale hoeveelheid neerslag.
De vlinders waren net als de planten vroeg dit jaar. De verschillen met het vroege 2002 beperken zich tot enkele dagen vroeger of later. Dit geldt voor zowel de vlinders die als vlinder, als rups of als pop overwinteren. De gemiddelde eerste waarnemingen van de vlinderoverwinteraars vielen in de tweede en derde decade van maart. De kleine vos was met 11 maart als eerste en was daarmee 6 dagen vroeger dan in 2002. Mogelijk dat dit mede werd veroorzaakt door het grote aantal waarnemingen dit jaar (226) ten opzichte van 2002 (85). Het klein koolwitje was met een gemiddelde van 28 maart de vroegste popoverwinteraar en werd 12 dagen later gevolgd door het klein geaderd witje en het groot koolwitje.
De trekvlinders atalanta en distelvlinder worden de laatste jaren steeds vroeger gezien en misschien overwinteren ze wel in Nederland. Ook in 2003 waren de atalanta's er vroeg bij. De eerste melding kwam op 21 februari (Franeker). Normaal arriveren ze pas vanuit Zuid-Europa in april of mei. De distelvlinder was met een gemiddelde van 24 mei zo'n 5 dagen vroeger dan 2002.
De zomer van 2003 was zeer warm, zeer droog en zeer zonnig. Het KNMI meldde dat in De Bilt sinds 1901 alleen de zomer van 1947 warmer was dan die van 2003. Toen werd het gemiddeld 18,7 �C, in 2003 was de gemiddelde temperatuur 18,6 �C. Het directe effect op de natuur was voor iedereen zichtbaar. Heel veel bomen kregen aan het einde van de zomer grote aantallen bruine bladeren en lieten zelfs een deel van de bladeren vallen.
De in de zomer vliegende dagvlinders werden 1 tot 1,5 week eerder gesignaleerd. Het Bruin zandoogje is een late vlinder, die pas eind juni begint te vliegen. In 2002 was de gemiddelde eerste vliegdatum 20 juni, in 2003 11 juni. Het is echter wel zo dat het aantal meldingen waarop we de conclusies trekken bij de vlinders laag is. De zachte nazomer zorgde ervoor dat veel vlinders tot erg laat in de zomer vlogen. Verschillende vlindersoorten hadden door de gunstige weersomstandigheden in 2003 een extra generatie, zoals bijvoorbeeld het Landkaartje en de Kleine vuurvlinder
De herfst was aan de koude kant, droog en net als de lente en de zomer zeer zonnig. De koude is voor het grootste deel toe te schrijven aan de zeer koude oktober maand (7,5�C tegen 10,3�C normaal). September kende een vrij lange warme periode. Van 13 tot en met 22 september kwam de temperatuur in een groot deel van het land dagelijks boven de 20/25 graden. Ook november gaat de boeken in als een zeer zachte maand en was met 8�C zelfs warmer dan oktober (Natuurkalender.nl)


Fenologisch overzicht Krimpenerwaard.

Zwartsprietdikkopje
Deze vlinder van droge graslanden en ruigten vliegt vanaf half juni tot eind augustus.
Van deze kleine onopvallende goudbruine vlinder bereikte mij slechts drie waarnemingen zodat over het tijdstip van verschijnen en verdwijnen nog weinig te zeggen is. De eerste waarneming werd gedaan op 6 juli, 2 exemplaren op De Kleine Zaag en de laatste op 2 augustus, op De Grote Zaag, Krimpen a/d Lek.

Groot Koolwitje
In ons land een algemene vlinder die je in allerlei biotopen kunt tegen komen. De vlinder vliegt vanaf de laatste week van april tot half juni en vervolgens van begin juli tot eind september.
In 2002 werd de eerste vlinder al gezien op 16 maart in Krimpen a/d Lek door Henk Bot.
Dit was ook landelijk een record dat in 2003 bij lange na niet werd gehaald. Er moest gewacht worden tot 20 april eer de eerste in beeld kwam: 1 exemplaar op De Grote Zaag te Krimpen a/d Lek (Paul Schrijvershof). De laatste werd gezien op 21 september tijdens een inventarisatie ronde in de Krimpenerhout te Krimpen a/d Lek (Nel en Leen den Hartog en Ton van Ree).

Klein Koolwitje
Een zeer algemene soort, die we in alle biotooptypen tegen kunnen komen. Normaal gesproken vliegt deze soort van half april tot half juni en van begin juli tot in oktober.
De laatste jaren lijkt de vlinder steeds eerder te verschijnen. Zo viel landelijk de gemiddelde eerste waarnemingsdatum in 2001 op 21 april, in 2002 op 30 maart en in 2003 op 28 maart.
De eerste melding in de Krimpenerwaard was een hele vroege. Reeds op 14 maart om 14.00 uur, zag Nel den Hartog een Klein koolwitje op de Viburnum bloemen in haar tuin in de Kamillestraat te Krimpen a/d Lek.
Eerlijk gezegd kwam de aller eerste melding van een Klein koolwitje op 19 februari. De vlinder, een vrouwtje, zat bij Arie Ros in Krimpen a/d IJssel in de keuken. Dit is echter wel een erge vroege melding voor dit witje. Het meest waarschijnlijk is het dat deze als pop mee naar binnen werd genomen en door de warmte binnenshuis tot ontpoppen is gekomen. Door het onnatuurlijke karakter van deze waarneming telt deze daarom niet mee als vroegste waarneming.
De laatste werd gezien op 21 september tijdens een inventarisatie ronde in de Krimpenerhout te Krimpen a/d Lek (Nel en Leen den Hartog en Ton van Ree).

Klein geaderd witje
Deze zeer algemene soort komt in alle biotooptypen voor. Normaal gesproken vliegt het Klein geaderd witje van begin april tot en met de eerste week van juni en van begin juli tot begin oktober. De eerste werd al gezien op 31 maart in het EZH-Bos te Krimpen a/d IJssel (Paul Schrijvershof). Dit was echter geen record want in 2002 werd de eerste gezien op 16 maart op De Zaag te Krimpen a/d Lek door Henk Bot.
De laatste 2 exemplaren werden gezien op 21 september in het Krimpenerhout te Krimpen a/d Lek (Nel en Leen den Hartog, Ton van Ree).

Oranjetipje
In de Krimpenerwaard een zeldzame soort. Vlinder van graslanden en bermen langs bosranden. Hier moeten Pinksterbloemen en Look zonder look groeien die de voedselplant voor de rupsen vormen. In een warm voorjaar zie je de eerste vlinders al in maart, maar normaal gesproken vliegen ze van half april tot half mei.
In 2003 waren er 5 waarnemingen. De vroegste waarneming werd gedaan door Gijsbert Mourik op 24 april in Ouderkerk a/d IJssel De overige waarnemingen werden gedaan in het Loetbos op 2 mei (Berd Wegman), 4 mei (Henk Bot), 5 mei (Paul Schrijvershof) en 11 mei. (Monique Schattenberg).

Citroenvlinder
De Citroenvlinder is een vlinder van bosranden en struwelen. De rupsen leven op Vuilboom, een struik die gelukkig veelvuldig langs wegen en in recreatiegebieden wordt aangeplant.
Een temperatuur stijging eind februari lokte veel vlinderoverwinteraars uit hun schuilplaatsen. Op 24 februari, om 15.30 uur, zag Dick Vuik de eerste Citroenvlinder van het jaar laag over een grasveld aan de Schuttersveld te Krimpen a/d IJssel vliegen. Hij vloog ca.100m en ging toen in een kuil van een opgedroogde plas zitten "genieten" van de zon. Binnen de bebouwde kom is het altijd wel een paar graden warmer dan in de polder. Het is daarom niet verwonderlijk dat de eerste vlinder in stedelijk gebied is gezien.
Half september werden de laatste Citroenvlinders van het seizoen waargenomen.
Op zaterdag 13 september zagen Monique en Ewald Schattenberg een late Citroenvlinder vliegen langs de IJsseldijk, vlakbij kinderboerderij Klein Boveneind te Krimpen a/d IJssel.
De laatste Citroenvlinder werd gezien op 14 september tijdens een inventarisatie ronde over De Kleine Zaag door Henriette Pieksma, Govert Vroegindeweij en Rolf van Beek.

Kleine vuurvlinder
Korte vegetaties in graslanden waar zuringsoorten de voedselplant voor de rupsen vormen.
Vliegt van eind april tot eind oktober. De eerste waarneming van deze soort, van 20 april te Schuwacht door Henk Bot, is dus zeker aan de vroege kant. De laatste waarneming op 25 september 2 ex. Polder de Nes (Rolf van Beek) valt ruim binnen de vliegtijd van de soort.

Boomblauwtje
Vlinder van bosachtige terreinen, parken en tuinen. Vliegtijd van begin april tot begin juni en van begin juli tot eind augustus. Als we een zacht voorjaar hebben kunnen we dit blauwtje al half maart verwachten. In 2003 werd de soort op 12 april voor het eerst gemeld uit Lekkerkerk, Krimpen a/d Lek en Krimpen a/d IJssel door respectievelijk Peter Berger, Henk Bot en Arie Ros.
Vergeleken met 2002 is dit vrij laat. Toen verscheen de eerste op 1 april in de Andante te Krimpen a/d IJssel (Arie Ros).
Het laatste Boomblauwtje werd gemeld op 28 juli uit Haastrecht door Carolien van Slijpe.

Icarusblauwtje
Het Icarusblauwtje vliegt in allerlei graslanden waar ook vlinderbloemigen groeien.
Vliegtijd van begin mei tot in oktober. Het eerste blauwtje werd opgemerkt op 7mei langs de Hoge dijk tussen Ammerstol en Schoonhoven door Henk Bot. De laatste werd gezien op 21 september tijdens een inventarisatie ronde in de Krimpenerhout te Krimpen a/d Lek (Nel en Leen den Hartog en Ton van Ree).

Dagpauwoog
In het voorjaar behoort deze soort tot de eerste vlinders die we kunnen ontmoeten. Zij hebben als vlinder overwinterd en zorgen daarna direct voor het nageslacht. De eieren worden gelegd op Grote brandnetel. Vanaf juni vliegt weer de volgende generatie, die doorgaat tot in september/oktober, om dan in winterslaap te gaan (diapauze) tot het volgende voorjaar. Het is een vlinder van bosranden, parken, tuinen, boomgaarden en tal van andere bloemrijke plaatsen. Een temperatuur stijging eind februari lokte veel vlinderoverwinteraars uit hun schuilplaatsen. Op 27 februari zag Dick Vuik de eerste vliegen op de Trimbaan in Krimpen a/d IJssel. Evenals in 2002 werd de laatste Dagpauwoog gezien op 2 augustus, 7 stuks op De Kleine Zaag bij Krimpen a/d Lek (Paul Schrijvershof).

Distelvlinder
Normaal gesproken arriveren de eerste vlinders hier eind april of in mei, vanuit Zuid- Europa of misschien uit Noord- Afrika, zodat ze wel een reis van meer dan 1000 kilometer achter de rug kunnen hebben. In 2003 was de soort er uitzonderlijk vroeg bij. Al op 27 maart zagen Geert Hoogendijk en Krista Hauhio een Distelvlinder op De Zaag bij Krimpen a/d Lek. Daarmee behoort deze waarneming, samen met twee vlinders in Noord- Brabant, tot de eerste dit jaar in Nederland (Natuurkalender.nl). Een record, dat waarschijnlijk niet snel ge�venaard zal worden.
De laatste Distelvlinder werd gezien op 21 september tijdens een inventarisatie ronde in de Krimpenerhout te Krimpen a/d Lek (Nel en Leen den Hartog en Ton van Ree).

Atalanta
Deze trekvlinder kan vrijwel overal worden gezien. Evenals in 2002 verschenen ook in het voorjaar van 2003 hele vroege Atalanta's. De Atalanta trekt jaarlijks van Noord- Afrika naar het noorden. Via het Middellandse Zeegebied, Frankrijk, en Belgi� bereiken zij Nederland, Engeland, Ierland en Zweden. Deze tocht wordt in etappes ondernomen. De Afrikaanse vlinders vliegen meestal niet verder dan Zuid- Frankrijk om zich daar voort te planten. De volgende generatie zet de reis voort totdat het tijd is om de eieren af te zetten. Uiteindelijk worden eind april of begin mei onze contreien bereikt.
Hoewel zij niet in staat worden geacht onze winters te overleven, worden zij echter steeds vaker in de eerste vier maanden van het jaar gesignaleerd. Blijkbaar zijn dat vlinders die het wel gelukt is in ons land of wellicht in Belgi� de winter te overleven.
Ook dit voorjaar doken er weer een aantal vroege exemplaren in de Krimpenerwaard op.
Op maandag 31 maart zaten de eerste twee exemplaren in het EZH- Bos bij Krimpen a/d IJssel. De eerste zat te zonnen op de strooisellaag van het nog kale bos naast parkeerterrein Kerkeloet en de tweede Atalanta zat zich op te warmen op een houtsnipperpad, onder de elektriciteitsleidingen even ten noorden van volkstuinen"De Amateur"(Paul Schrijvershof).. Een paar dagen later, op 5 april, zag Mathilde Marijnissen een exemplaar aan de zuidrand van het villaparkje aan de Lekdreef te Krimpen a/d Lek. Op 12 april zag Henk Bot tenslotte een atalanta in de griend achter autobedrijf Van Limborgh, eveneens in Krimpen a/d Lek. Eind april/begin mei bereikte de eerste trekgolf Atalanta's vanuit het zuiden de Krimpenerwaard.
De laatste waarneming in het waarnemingenbestand over 2003 dateert van 17 september: 1 ex. EZH-Bos te Krimpen a/d IJssel (Paul Schrijvershof). Dat de soort veel langer door vliegt dan genoemde waarneming suggereert bewijst de laatste waarneming van vorig jaar. In 2002 werd namelijk de laatste Atalanta gezien op 31 oktober, op het volkstuincomplex"De Amateur"te Krimpen a/d IJssel (Paul Schrijvershof).

Kleine Vos
Dagvlinder die in vrijwel alle biotopen kan worden aangetroffen. De Kleine vos overwintert als vlinder. Door het aanhoudende koude weer kwam het voorjaar in 2003 pas laat op gang. Daardoor geen vroege vlinders begin februari, zoals vorig jaar. Nee, dit jaar moesten we wachten tot de derde week van februari eer dat het eerste exemplaar het er op waagde uit zijn beschutte winterverblijf te voorschijn te komen. Na 20 februari brak een uitzonderlijk zonnige periode aan. Als de zon maar krachtig genoeg schijnt op de plek waar de vlinder zit, dan kan deze wakker worden en gaan vliegen. Op 24 februari was dat zover en koos omstreeks het middag uur een Kleine vos het luchtruim. Deze fladderde door de Lupine in Krimpen a/d IJssel en werd daar opgemerkt door Colinda Riemens.
De laatste waarneming ontving ik van Henk Bosch, op 18 oktober zag hij er nog een foerageren bij Achterbroek.

Gehakkelde aurelia
Deze dagvlinder houdt van bosranden, heggen en houtwallen en open plekken in het bos waar het bloemrijk is. De eieren worden afgezet op vooral Grote brandnetel maar ook wel op Hop en verschillende loofboomsoorten. Van de vlinderoverwinteraars komt deze soort meestal als laatste te voorschijn. De eerste vlinders worden meestal pas in maart actief. Zo ook in de Krimpenerwaard waarop 15 maart de eerste vlinder werd gezien door Ton van Ree langs de Breekade te Krimpen a/d Lek. Hoewel de soort nog tot eind oktober/ begin november kan vliegen, werden in de Krimpenerwaard de laatste exemplaren half oktober gezien. Op 15 oktober kwam Paul Schrijvershof nog vier Gehakkelde aurelia's tegen tijdens een wandelingetje door het Loetbos.

Landkaartje

Is te vinden langs bosranden, kapvlakten, heggen en houtwallen. Plaatsen waar de waardplant Grote brandnetel een algemene verschijning is. Landkaartjes overwinteren als pop. Vandaar dat zij er in het voorjaar al vroeg bij zijn. De vliegtijd van de voorjaarsvorm, oranjebruin met een zwart vlekkenpatroon, loopt van half april tot eind juni. De zomervorm, zwart met aan de buitenzijde oranje bandjes en over binnenzijde witte banden, vliegt van begin juli tot eind september. De vroegste waarneming dateert van 13 april, toen Geert Hoogendijk en Krista Hauhio een exemplaar opmerkten op De Zaag bij Krimpen a/d Lek.
De laatste vlinder vloog op 15 september in het Loetbos (Paul Schrijvershof).

Argusvlinder
Vlinder van graslanden. Vliegtijd loopt van eind april tot begin november. De data van door leden doorgegeven waarnemingen vallen allen ruim binnen deze grenzen. De eerste melding in de Krimpenerwaard viel namelijk pas op 7 mei, waarin de omgeving van de werkschuur van het Zuid-Hollands Landschap nabij Gouderak, een exemplaar werd gesignaleerd door Rolf van Beek.
De laatste datum in 2003 was op 25 september, toen Rolf van Beek nog 18 stuks telde in Polder de Nes (gemeente Bergambacht). De laatste Argusvlinder in 2002 vloog nog op 31 oktober, rond nog bloeiende herfstasters op volkstuincomplex"De Amateur" te Krimpen a/d IJssel (Paul Schrijvershof).

Vlinder gezien! Geef het door.

Ook van het jaar 2004 willen we een zo compleet mogelijk beeld krijgen van de eerste en laatste waarnemingsdatum. Bij deze wil ik daarom lezers van De Waardvogel oproepen al uw vlinderwaarnemingen ten behoeve van het Fenologischonderzoek Dagvlinders, aan mij door te geven.
Deze vlinderwaarnemingen worden tevens gebruikt ten behoeve van het verspreidings-onderzoek dagvlinders in de Krimpenerwaard.
Alle leden die het afgelopen jaar de moeite hebben genomen om hun dagvlindergegevens aan mij door te geven wil ik hierbij hartelijk danken.



Bronnen
  • Maas, C. En S. Dijksen- Overbeeke, 2003, Vlinderen over Texel, Ecomare, Texel.
  • Natuur- en Vogelwacht Culemborg, 1998. Vlinders tussen Lek en Linge. NVWC, Culemborg.
  • Tax, M.H., ir., 1989, Atlas van de Nederlandse Dagvlinders. Vlinderstichting, Wageningen en Natuurmonumenten, 's-Gravenland.
  • Wynhoff, I., Chr. Van Swaay en J. Van der Made. Veldgids Dagvlinders. Veldgids nr. 11.
  • KNNV Uitgeverij, Utrecht en De Vlinderstichting, Wageningen (1999).



Paul Schrijvershof

Laatst aangepast op woensdag, 24 september 2008 13:13